HomeNieuwsSchrijfsterWerkwijzeBestellenPrijzenTe koopAgendaPersContactStukken

Blijspelen
Kluchten
Thriller
Drama/Toneelstukken
Eenakters
Damestoneel
Kind- en Jeugdtoneel

Kind- en Jeugdtoneel
S.zkt vrnd

© 2011

1 keer door een vereniging opgevoerd..


Het verhaal

Sophie is een meisje dat op school niet opvalt. Ze wordt niet gepest, maar hoort ook niet bij de populaire kinderen van de klas. Ze bezit wel alle zeven deugden (voorzichtig/verstandig, rechtvaardig, zelfbeheerst, moedig, gelooft in zichzelf, houdt altijd hoop en heeft respect voor iedereen) Toch voelt ze zich een beetje alleen. Ze wil wel liefde geven, maar aan wie? Niet aan haar ouders, dat is zo suf. Verder is Sophie enig kind, dus ook een broer of zus kan haar liefde niet krijgen. Wel heeft ze een hond Sam. Die kan ze wel liefde geven, maar dat is anders.
Ze gaat samen met Sam op zoek naar iemand om haar liefde aan te geven. Bij haar zoektocht komt ze verschillende mensen tegen. Allen hebben één van de zeven zonden.
Wat Sophie niet weet, is dat Directeur Van Zanten achter haar aan zit. Hij wil de spijbelaarster in haar kraag vatten, maar wordt door vele verschillende oorzaken tegengehouden.


Korte dialoog

 

 
ZESDE DEEL
 
Dure kamer
Op het podium verschijnt een stoel met een tafel ervoor en een spiegel erop. Prinses Superia zit op de stoel en bekijkt zichzelf in de spiegel.
 
SUPERIA: (zucht vergenoegend) Oh, wat ben ik toch mooi. Mijn huid zo fijntjes, mijn haren glimmend als goud in de zon. Niemand die het ooit van mij winnen kan. (brengt haar gezicht iets dichter bij de spiegel en geeft een enorme gil) Wat is dat? Wat zit daar nu? Dat lijkt… dat lijkt… dat is… daar zit een bobbeltje! (gilt nog eens – luid) Veronica, heel snel hier komen!
VERONICA: (komt al buigend en met haar hoofd knikkend binnen) Edelachtbare prinses Superia, hoe kan ik u van dienst zijn?
SUPERIA: (draait haar gezicht naar Veronica) Wat is dit? Wat voor lelijke oneffenheid heeft mijn perzikenhuidje verwoest?
VERONICA: Hoogmoedige prinses Superia, het ziet er naar uit dat uw puberteit toeslaat.
SUPERIA: (hard) Wat? Wat durf jij hier te beweren?
VERONICA: De oneffenheid op uw prachtige gezicht is een… puist.
SUPERIA: Nee! Nee, dat kan niet. Dat mag niet! Op mijn huid hoort geen puist te zitten. Absoluut onmogelijk. Haal hem weg! Haal hem weg!
VERONICA: Ik kan hem voor u uitknijpen.
SUPERIA: Roep de beste plastisch chirurg uit het land! Deze p… deze p… pukkel moet direct verdwijnen.
 
Er wordt geklopt. Hofdienaar Theodoor stapt binnen.
 
THEODOOR: Prinses Superia, het is tijd om te vertrekken.
SUPERIA: Ik ga het paleis niet uit!
THEODOOR: Uw moeder neemt u mee naar de opening van het nieuwe ziekenhuis. Daar weet u toch van?
SUPERIA: Theodoor, zoals ik er nu uitzie, kan ik mij niet vertonen.
THEODOOR: Maar u bent toch even prachtig als altijd?
SUPERIA: Ben je soms blind? Ik zie er niet uit. Ik ben net een wrattenzwijn.
VERONICA: (wat zachter) De prinses heeft een puist.
SUPERIA: Veronica, zeg dat woord niet hardop!
THEODOOR: Ah, de eerste puberteitsverschijnselen.
SUPERIA: Hou op! Bel de beste chirurg van België en zorg dat deze chirurg de pukkel verwijderd en mijn huid weer glad maakt, zoals deze al mijn hele leven is.
THEODOOR: Prinses Superia, daar is nu echt geen tijd voor. Ik kan hem best bellen, maar de ‘operatie’ zal later moeten plaatsvinden.
SUPERIA: Luister goed, Theodoor! Ik ga het paleis niet uit, zolang ik deze hobbel op mijn gezicht heb zitten.
Thedoor: Ik kan geen wonderen verrichten, dus een keuze heb je niet.
SUPERIA: Ja, bel een magiër, een tovenaar. Laat deze de pukkel wegtoveren!
THEODOOR: Ik zal uw moeder halen. Dan kan zij u toespreken.
SUPERIA: Veronica, help me dan! Jij weet als vrouw toch wat schoonheid is. Jij gaat toch ook nooit de straat op zonder make-up?
VERONICA: Als er belangrijke zaken te doen zijn en ik heb te weinig tijd, dan heb ik daarin helaas geen keuze.
SUPERIA: (wenend) Niemand begrijpt me. Niemand weet dat dit een afgang zal zijn. Ik zal mijn hele verdere leven door moeten als pukkelkop.
THEODOOR: Moet ik soms je vader roepen?
SUPERIA: Nee! Nee, niet doen. Alsjeblieft niet.
THEODOOR: Goed, dan haal ik je moeder! (loopt met geheven hoofd weg en gaat af)
SUPERIA: Maar…!
VERONICA: Edelachtbare, u weet dat als uw moeder u moet komen halen, zij niet zo geduldig zal zijn.
SUPERIA: Natuurlijk weet ik dat. Dat hoef je niet te vertellen.
VERONICA: Misschien dat ze dan besluit geen tweede sauna, alleen en enkel alleen voor jou, aan te leggen.
SUPERIA: Hou op! Ik weet hoe ze is.
VERONICA: Laat mij met wat make-up uw pui… (slikt woord snel in) uw oneffenheidje wegwerken. Dan zorgen we dat er vanmiddag iemand komt om de pui… pukkel te onderzoeken en te laten verdwijnen.
SUPERIA: En zorg dat mijn tranen onzichtbaar zijn. Mijn moeder mag niet zien dat ik gehuild heb.
VERONICA: Doen we. Het komt allemaal wel goed.
SUPERIA: (zucht met een snik)
 
Licht uit.
 
DEEL 6A
Straattoneel
De ingang van een ziekenhuis is te zien. Er staat publiek, een dame in een net pak (de directrice) en wat persmensen. Sophie komt op met Sam.
 
SOPHIE: Wat is hier aan de hand? (kijkt rond – tegen een mevrouw) Mevrouw, mag ik vragen wat hier gaat gebeuren?
MEVROUW: Weet je dat dan niet? De koning komt met zijn dochter het nieuwe ziekenhuis openen.
SOPHIE: Echt?
MEVROUW: Eh… ja…
Jongen: (komt oprennen vanaf links) Ja, ik zie de limo. Ze komen eraan.
 
De persmensen duwen de mevrouw en Sophie aan de kant en snellen zich naar de linkerkant van het podium. Klaar om te filmen en foto’s te maken. Prinses Superia komt op met naast haar de koningin. Achter hen loopt Theodoor. De koningin wuift en glimlacht iedereen vriendelijk toe. Superia probeert ook te lachen, maar heeft een spiegeltje in haar hand waar ze steeds even in kijkt, zodat ze zich de goede kant opdraait als een foto wordt gemaakt.
 
KONINGIN: Hallo landgenoten. Welkom, welkom, welkom! Wat een opkomst. Wat doet mij dit deugd. Welkom!
SOPHIE: Is dat de koningin?
MEVROUW: Lieve kind, wat doe je dom. Je kent onze koningin toch wel?
SOPHIE: Ik dacht van wel, ja. Maar deze dame komt me niet bekend voor. En dat meisje dat bij haar is?
MEVROUW: Sst! Laat haar maar niet horen dat je haar een meisje noemt. Jongedame vindt ze zelfs nog een minderwaardig woord.
SOPHIE: Pff, zo oud is ze niet.
MEVROUW: Dat is de prinses.
SOPHIE: Oh, de prinses… Juist ja.
 
De koningin en de prinses gaan voor het ziekenhuis staan. Het publiek en de pers gaan rechts en links van hen staan.
 
KONINGIN: Beste aanwezigen. Ik en mijn dochter heten u van harte welkom bij de opening van ons nieuwe ziekenhuis Morgenrood. Jarenlang is gewerkt aan dit prachtige ziekenhuis wat ruimte biedt aan zeker honderd patiënten. Mijn complimenten gaan naar de ontwikkelaars en de mensen die het ziekenhuis hebben gebouwd. Mijn dochter overhandigt het hospitaal een toepasselijk cadeau wat onze blijdschap extra verduidelijkt.
SUPERIA: Het is mij een groot genoegen om namens mijn familie een geschenk te overhandigen aan dit prachtige project. Wij hopen dan ook dat dit cadeau een voorname plaats krijgt in het ziekenhuis, zodat iedereen kan zien dat wij dit ziekenhuis een warm hart toedragen.
SOPHIE: (iets te hard) Wat praat ze raar voor een meisje. (Superia’s blik gaat naar Sophie)
MEVROUW: Sst, anders hoort ze je.
SOPHIE: Ze is 15 of zo. Dan praat je toch niet zo? (weer een blik van Superia)
SUPERIA: Het geschenk wil ik overhandigen aan de directrice, mevrouw Agaath Stempelmans. (de directrice stapt op Superia af) Mevrouw Stempelmans, hierbij laat ik weten dat mijn familie zeer content is… (Sophie lacht zacht wat haar weer een boze blik oplevert)… zeer content is met het feit dat er in ons schitterende land een nieuw hospitaal is gekomen. Proficiat!
AGAATH: (neemt cadeau over) Ik dank u en uw familie voor deze gift en zal zorgen dat deze inderdaad een voorname plaats krijgt in onze hal.
 
De mensen applaudisseren.
 
AGAATH: Dan is nu het moment aangebroken om het lintje door te knippen en het ziekenhuis officieel te openen.
 
De jongen komt naar voren met een kussen waarop een schaar met linten ligt. Agaath geeft de schaar aan Superia. Deze loopt naar het lint voor de ziekenhuisdeur (persmensen dringen zich weer op) en knipt deze door. Applaus. Iedereen gaat het ziekenhuis in, behalve Sophie.
 
 
DEEL 6B
Superia staat te smoezen met Theodoor aan de rand van het podium (voor het doek). Sophie zit helemaal aan de andere kant van het podium met Sam, totaal niet lettend op Superia en Theodoor. Superia fluistert Theodoor iets toe, terwijl ze naar Sophie wijst. Vervolgens verdwijnt Superia achter het doek. Theodoor stapt op Sophie af.
 
THEODOOR: Jongedame, ik moet u verzoeken met mij mee te gaan.
SOPHIE: Sorry?
THEODOOR: Er wil iemand een woordje met je wisselen.
SOPHIE: Een woordje wisselen?
THEODOOR: Iemand wil even met je praten.
SOPHIE: Wie dan?
THEODOOR: Zou je gewoon even mee willen lopen? Dan weet je het zo.
SOPHIE: Ik ken u niet. Ik mag niet zomaar met vreemden meelopen.
THEODOOR: Ik ben de hofdienaar van koning Frederik. Zijn dochter wil met je praten.
SOPHIE: Oh, waarover dan?
THEODOOR: Het gesprek zal plaatsvinden op een plaats waar niemand jullie kan horen. Het is niet de bedoeling dat het breeduit in de pers komt.
SOPHIE: (met klein lachje) Ze is boos op me, hè?
THEODOOR: Loop je mee?
SOPHIE: Ach, waarom ook niet? (lopen richting links. Sam gaat erachteraan)
THEODOOR: Je hond mag niet mee.
SOPHIE: Dan gaat het gesprek niet door. Ik ga nergens heen zonder Sam.
THEODOOR: Goed, we regelen wel wat.
 
De twee gaan ook naar achter het doek. Directeur Van Zanten komt op.
 
Van Zanten: (kijkt door het doek, blijft even staan kijken – draait zich dan om naar het publiek) Dit is toch niet te geloven? Die spijbelaar zit daar gewoon bij de prinses in de auto. Ze zou gestraft moeten worden in plaats van beloond. Maar zodadelijk als ze de auto uitstapt, grijp ik haar bij de lurven. Vanmiddag nog ontdoet zij de tafels op school van kauwgomresten.
 
Gordijn open
 
Auto
Twee banken worden tegenover elkaar op het podium gezet, met aan de achterkant van één van de twee banken een stoel. Hier neemt Theodoor plaats. Sophie gaat op één van de banken zitten. Sam ligt naast de auto op de grond.
Licht gaat aan. Superia komt aanlopen en gaat tegenover Sophie zitten.
 
SUPERIA: Je hebt mij beledigd.
SOPHIE: Sorry?
SUPERIA: In het bijzijn van al die mensen.
SOPHIE: Beledigd?
SUPERIA: En onder het toeziend oog van de pers.
SOPHIE: Waar heb je het over?
SUPERIA: Voor jou is het ‘u’.
SOPHIE: U? Je bent maar een paar jaar ouder dan ik.
SUPERIA: Maar wel een prinses.
SOPHIE: O.k. Als je dat zo graag wilt.
SUPERIA: U!
SOPHIE: Hoe heb ik ‘u’ dan beledigd?
SUPERIA: Je sprak terwijl ik sprak. Je onderbrak mijn speech.
SOPHIE: Ik zei alleen dat je… u… raar praatte.
SUPERIA: Dat heb ik niet gehoord. Wat ik alleen hoorde, was iets in mijn linkeroor dat leek op een lama die stond te schijten.
THEODOOR: (schraapt keel)
SOPHIE: Inderdaad niet zo’n net woord.
SUPERIA: Niemand heeft ooit gedurfd mij te onderbreken terwijl ik sprak.
SOPHIE: Niemand?
SUPERIA: Je bent de eerste.
SOPHIE: Heb jij… u… eigenlijk wel een leuk leven?
SUPERIA: Ik heb alles wat mijn hartje begeerd, dus ja, ik heb een leuk leven.
SOPHIE: Heb je ook vrienden?
SUPERIA: Ik heb heel veel vrienden.
SOPHIE: Hoe heeft u deze gemaakt dan?
SUPERIA: Gewoon…
SOPHIE: Op school?
SUPERIA: Ik ga niet naar school. Ik heb een privélerares.
SOPHIE: Op uw sportclub?
SUPERIA: Van sporten word je huid oud en je overlijdt eerder.
SOPHIE: Goed, waar heeft u uw vrienden dan ontmoet?
SUPERIA: Twijfel je er soms aan dat ik vrienden heb?
SOPHIE: Oh nee! Nee hoor, dat bedoel ik niet. Weet je… u… het zit zo. Ik zoek zelf een vriend. Een beste vriend. Misschien heeft u tips voor me.
SUPERIA: Tips?
SOPHIE: Hoe vind ik of nog beter; hoe maak ik vrienden?
 
Superia wordt wat ongemakkelijk en wiebelt heen en weer.
 
SUPERIA: Theodoor, hoe leg ik aan dit meisje uit hoe je vrienden maakt?
THEODOOR: U barst van de vrienden. U kunt dit beter uitleggen dan ik.
SUPERIA: Dat is zó waar! (is duidelijk van haar stuk) Vrienden maak je door… Je maakt vrienden met… Bijvoorbeeld door ze… je kunt ze uitnodigen voor een beautydag. Met topvisagistes en sterkappers. Je laat je allemaal mooi maken, geniet daarna van een diner bij kaarslicht en praat wat.
SOPHIE: Dus vrienden kun je kopen?
SUPERIA: Ik heb hier geen zin in. Verdwijn alsjeblieft uit mijn limousine. Je bent te simpel om dit te begrijpen.
SOPHIE: Het was een simpele vraag. Ik hoopte op een simpel antwoord. Zodat ik een vriend kon vinden.
SUPERIA: (kijkt arrogant de andere kant op) Dag!
 
Sophie stapt uit. Ook Theodoor stapt uit.
 
THEODOOR: Ik dacht dat je haar had.
SOPHIE: Hoe bedoelt u?
THEODOOR: Meestal spreekt ze niet zo normaal met iemand. Voelt ze zich te trots om iets te zeggen. Maar jij zat dichtbij.
SOPHIE: Nou, ik ben er anders niks mee opgeschoten.
THEODOOR: Je bent sterk en moedig. Jij redt je wel.
SOPHIE: Ik hoop dat dat voor haar ook geldt.
THEODOOR: Je had haar moeten zien toen ze een jaar of 5 was. Zo een lief meisje. Goudeerlijk en altijd bereid anderen te helpen. En opeens was dat weg. Haar uiterlijk werd het allerbelangrijkste. Verder helemaal niets. De enige die nog een beetje grip op haar heeft, is de koning. Ja, haar vader is streng, maar een zeer goed en meegaand mens. Ik hoop dat ze het ooit weer overneemt.
SOPHIE: Ik hoop het ook voor u. Maar wel bedankt voor uw vriendelijke woordjes.
THEODOOR: Nee, jij bedankt. Je hebt Superia weten te raken. Dat heeft ze nodig. (kijkt in de richting waar Van Zanten staat toe te kijken) Nog een klein ogenblikje. Ik moet nog even iets afhandelen. Sluit je ogen maar even.
SOPHIE: Hoezo?
THEODOOR: Geloof me!
 
Sophie sluit haar ogen. Theodoor loopt op Van Zanten af. Hij gebruikt een paar karatetrappen om deze uit te schakelen, waarna hij de directeur van het podium vandaan sleept. Komt terug en klopt zijn handen schoon.
THEODOOR: Zo, je mag weer kijken, hoor. Tot ziens, goede meid.
SOPHIE: Dag meneer! En bedankt nogmaals. (tot Sam) Nou Sam, we weten nog niks. Ja, alleen dat die prinses geen echte vrienden heeft. Tenminste, ik denk niet dat als je vrienden koopt, ze echt zijn. Wat jij? (Sam blaft)

 
Licht uit.
 
...

 


Huisgenoot gevraagd (6 dames, 1 heer)

© 2006

1 keer door een vereniging opgevoerd.


Het verhaal

Een jongerenblijspel met een cynische draad. Twee studenten, zus Kim en broertje Bram
bewonen samen een appartement. Daar hebben ze een kamer vrij staan die hun geld kost, maar waar ze amper gebruik van maken. Daarom gaan ze op zoek naar een huisgenoot. Dit feit gebruiken ze beiden, op eigen manier, om de ander een lesje te leren.

Navolgend komen er meerdere rare figuren; een druk nerveus meisje, een dom wicht, een kakmadame die presidente wilt worden en een vrolijke akela.
Al snel heeft Bram door dat Kim hem ergens voor wil pakken, zoals hij haar ook iets probeert duidelijk te maken. Zij doet dit echter op een veel gemenere manier dan hij.
Ze blijven allebei slachtoffers van andermans spelletje en pas aan het eind wordt duidelijk hoe ze hun eigen plannetje hebben opgezet en wat ze daarmee wilden bereiken.
Alleen Fanny is onschuldig en speelt geen rol in de snode plannen. Zij wil de lege kamer echt bewonen.
De rare figuren zorgen voor een duidelijke komische noot en uiteindelijk kent het verhaal nog een moraal ook. Eigenlijk is het stuk te omschrijven als een blijspel dat zwaar oogt, maar wat uiteindelijk veel komische situaties oplevert die de onbegrijpelijke situaties licht maken.


Korte dialoog
...
 
 
BRAM: Goed, ik zal de afwas zodadelijk doen. Maar ik moet eerst nog even die evolutietheorie doornemen. Dat is zo ingewikkeld.
KIM: Er is geen afwas.
BRAM: Oh nee?
KIM: Je bent weer aardig in de wolken. Je hebt niet eens gegeten, man.
BRAM: Oh nee?… Oh nee, dat ben ik vergeten. Vandaar dat mijn maag zo loopt te schreeuwen. Ik stoorde me er al aan.
KIM: (sarcastisch bedoeld) En je bent al zo dik. Een keertje eten overslaan maakt niet een nog grotere graat van je. Man, je bent echt onverbeterlijk.
BRAM: Ik moet dit tentamen halen.
KIM: Heeft mams nog gebeld?
BRAM: Nee.
KIM: Nee?
BRAM: Nee.
KIM: Je bent wel vaag vandaag.
BRAM: Ik zie al die termen vliegen. Klassenmanagement, Hoe te handelen met conflicten in de klas, bla bla bla. Vraag me niet waar het over gaat.
KIM: Ik heb inderdaad geen idee. Ben je vandaag nog bij Yannick geweest?
BRAM: Nee.
KIM: Nee?
BRAM: Nee.
KIM: Lekker ben jij.
BRAM: Ze weet dat ik even geen tijd heb. Dat begrijpt ze best. En je moet het ook met een toekomstige blik zien. Als ik deze school haal, kan ik eventueel naar de universiteit om psychologie te gaan studeren en behandel vervolgens mensen als Marc Dutroux of Klaas Bruinsma; types zei ik, hè? Dat betekent dat zij, als ze met me trouwt, dagenlang achter elkaar kan gaan shoppen, zonder zich over het geld zorgen te maken.
KIM: Denk je haar gezicht eens in als je plots toch voor haar neus had gestaan? Onverwachts. Ze had je om de hals gevlogen en plat gekust.
BRAM: Als we niet afspreken, is zij echt niet thuis hoor. Ze gaat niet zitten wachten, in de hoop dat ik eens langskom.
KIM: Je moet ook wel vijf minuten fietsen naar haar toe. En als ze er dan niet is, moet je ook weer helemaal vijf minuten terug. Je zou er wel eens moe van kunnen worden.
BRAM: Nee, dan kan ik niet direct naar huis, want dan doet haar moeder open en dan weet je het wel… Alleen met geluk ben ik dan na een uur thuis.
KIM: Ik haal even een stofzuiger door die kamer heen.
BRAM: Ja, doe dat. En zeem direct de ramen. Je kunt de bomen in de tuin niet meer van de lucht onderscheiden.
KIM: Echt niet dus. Jij zit hier en ik ren me rot. (de bel gaat, Bram en Kim verroeren zich beiden niet)
BRAM: Aan jou de eer.
KIM: Licht jij je luie reet maar eens op! Je zit hier al zeker een paar uur. Je benen zijn wit geworden zonder al die bloedtoevoer.
BRAM: Doe nou open!
KIM: Doe jij lekker open.
BRAM: Het is toch niet voor mij?
KIM: Ik verwacht ook niemand.
BRAM: Ik blijf hier zitten hoor.
KIM: En ik blijf hier staan. (de bel gaat nogmaals)
BRAM: Dan gaat diegene zo weg.
KIM: En?
BRAM: Dan weten we niet, wie het was.
KIM: Nee, dat weten we dan niet.
BRAM: Trut! (staat op en loopt naar rechts, naar de gang)
KIM: Goed zo, Kim. Aanpakken dat broertje van je. Jij bent de oudste. (Bram komt terug op de voet gevolgd door een meisje in hippie-uniform. Dorien als Marijn)
MARIJN: (erg snel) Hallo, ik ben Marijn. Bram had ik daarstraks inderdaad aan de telefoon. Maar wie ben jij dan? Zijn zus misschien? Jullie lijken niet zo op elkaar. Jij bent iets groter en jij bent iets kleiner. Had ik al gezegd dat ik Marijn heet? Ik ben geïnteresseerd in de kamer die jullie hebben leegstaan.
KIM: (overrompeld) Ja, dat kan.
MARIJN: Is het een beetje een mooie kamer? Met een leuk uitzicht en met van die gave kleuren. Geverfd of voorzien van een behangetje? Ik ben niet nieuwsgierig hoor. Maar ik wil het gewoon weten. Ken je dat gevoel?
BRAM: Eh… vast.
MARIJN: Oh, ik ben trouwens 17, over twee maanden en drie dagen 18. Dan ga ik direct mijn rijbewijs halen. Mijn vader betaalt de eerste les. Maar ik heb ook zelf gespaard. Ik werk namelijk bij de bakker. Verdient niet heel goed, maar het is een leuke baan en gezellig met al die mensen omgaan enzo… Ik weet niet of jullie iemand van een bepaalde leeftijd op het oog hadden.
BRAM: Ken ik jou niet ergens van?
MARIJN: Mij? Nee hoor, dat is onmogelijk. Ik bedoel, ik ken jou ook niet. Niks aan jou ken ik. Ook je stem niet. Ja, ik herken hem nu omdat ik je daarstraks aan de telefoon sprak. Je was zeker met je hoofd ergens anders? Want echt goed luisteren, deed je niet.
BRAM: Ik was aan het leren.
MARIJN: Oh jee, moeilijk tentamen? Observeren van barometerkinderen of meer via een handig opgezet klassenmanagement?
BRAM: Hoe weet je…?
MARIJN: Je doet toch pabo? Ja, dat zeiden die meiden bij mij op school. Ze kenden je wel. Ze zeiden, die Bram; dat is een leuke jongen. Echt te gek. Ja, dat zeiden ze.
KIM: Bram?
BRAM: (snelle blik op Kim) Wie waren dat dan?
MARIJN: Oh, gewoon wat meiden. Ja, wat ze zeggen, dat zeggen ze, hè? Daar kan ik weinig op en tegen zeggen. Je hebt niet altijd in te brengen wat je zeggen wilt.
KIM:  Ehm… Marijn?
MARIJN: Ja, Marijn Vergeer is mijn naam. Dochter van Sandra en Paul Vergeer. Eén van de weinige getrouwde stellen die nog bij elkaar zijn. Ja, je hoort alleen maar over scheidingen tegenwoordig, hè? Belachelijk hoe makkelijk dat gaat. Maar mijn ouders houden nog zielsveel van elkaar. Ze gaan elke zaterdagavond samen iets leuks doen. Naar het theater of naar de film of gewoon exclusief dineren. Ik hoop dat ik ook zo’n romantische man vindt als ik later groot ben.
KIM: (glimlacht even snel) Welke opleiding volg je?
MARIJN: Waar ik voor leer? Kapster. Ja, vroeger toen ik heel klein was, knipte ik de hoofden van mijn barbies al helemaal kaal. Ik had ook zo’n trol met van die lange gekleurde haren. Die heb ik een keer dreadlocks gegeven. Wil je weten hoe ik dat toen deed? Heel simpel hoor… (Bram probeert de vage bekende te herkennen)
KIM: (geeft Marijn geen kans) Nee hoor, dat hoeven we niet te horen. We zijn zelf ook klein geweest. Woon je nu nog gewoon bij je ouders?
MARIJN: Nee, die werden gek van me, zeiden ze. Ja, ik weet ook niet waarom ze dat zeiden. Maar soms zeggen mensen dingen waar je niks op of tegen te zeggen hebt. Ik woon nu in een studentenflat, maar het is daar zo druk. Ik weet niet, gewoon teveel mensen, denk ik. En de gehele dag door geroezemoes. Ze kunnen echt hun kleppen geen seconde houden. En ik wil wat kleiners. En toen zeiden ze, die meiden bij mij op school, ze zeiden dat ze wel een kamer wisten. Bij een leuke jongen. (zenuwachtig lachend) Nou, daar hebben ze niet over gelogen.
KIM: Marijn, kun jij soms ook je mond houden?
MARIJN: Als ik slaap, ben ik rustig hoor. Dan zeg ik niks meer. Dan heb je geen centje last van me. Mijn ouders vonden mij altijd zo lief als ik sliep.
BRAM: (terzijde) Daar kan ik me iets bij voorstellen. (Kim begint te lachen)
MARIJN: Sorry, wat zei je? Ik verstond je even niet.
BRAM: (stotterend) Ja… uh, iedereen is lief als ze slapen. Dat wordt vaker gezegd.
MARIJN: Jullie zullen niet veel last van me hebben, hoor. Ik ben vaak weg. Lekker ruig uitgaan enzo. Houden jullie van uitgaan? Dan kunnen we misschien een keertje samen gaan.
BRAM: Nou, waarschijnlijk hou jij van hele andere uitgaansgelegenheden dan wij. En we gaan eigenlijk nooit samen naar dezelfde tent.
MARIJN: Oh, ik vind alles leuk hoor. Als ik maar wat kan drinken en lekker wat kan dansen. Langs de kant zitten is soms ook wel leuk hoor. Kan je tenminste een beetje kletsen.
BRAM: Waar woon je?
MARIJN: In de Kooistraat. Is hier niet zover vandaan. Kun je lopend af. Met de fiets gaat het sneller, maar die wordt hier altijd zo makkelijk gejat. Dat risico neem ik eigenlijk nooit meer. Oh ja, tramlijn 4 en 7 gaan er langs heen. Uitstappen bij de halte ‘Leeuwendaal’. Hoe hoog is de huur van de kamer?
KIM: Die is op zich 175 euro, maar we…
MARIJN: Dat is een perfecte prijs. Goedkoper nog dan mijn kamer nu. En met veel leukere huisgenoten.
KIM: Maar…
MARIJN: Zou je hem even willen laten zien? Ik ben zo benieuwd.
KIM: Ik wil je er wel op wijzen dat…
MARIJN: Eerst kijken, dan beslissen, zeg ik altijd maar wat betreft het uitzoeken van een kamer. Nooit te snel ‘ja’ zeggen. Daar krijg je later alleen maar spijt van.
KIM: Er komen nog wel andere mensen hoor.
MARIJN: Heb je nog meer kamers leegstaan dan?
KIM: Nou, we zijn pas net aan het hospiteren. Er hebben al meer mensen gebeld die interesse hebben. We willen iedereen ontvangen voor we een beslissing nemen.
MARIJN: Natuurlijk, dat snap ik. Maar ik wil wel zeggen dat je van mij echt amper last zult hebben. Ik slaap hier bijna alleen maar. Soms blijf ik thuis voor een leuke film, maar vaak ook weer niet, dus…
KIM: (dringend) Bram!
BRAM: Huh?… Ja… ehm, er komt straks nog iemand en morgen ook nog wel een paar.
MARIJN: Nee, dat is goed, maar ik wilde alleen zeggen…
BRAM: … dat we geen last van je hebben en dat je hier eigenlijk alleen maar slaapt. Ja, dat zei je al.
MARIJN: Ja, ik herhaal dingen soms. Soms herhaal ik ze zelfs vaak. Vooral als ik zenuwachtig ben. Dan ben ik niet meer te houden.
KIM: Kom, we gaan de kamer bekijken. Loop je mee, Bram?
BRAM: Maar mijn tentamen?
KIM: Bram!
BRAM: Natuurlijk loop ik mee. Ik ben er al. (gaan allemaal af via rechterdeur)
 
Achter de schermen.
 
MARIJN: Oh jee, wat leuk. Wat een geweldige kamer. Zo donker, maar zo vreselijk gezellig. Helemaal te gek. Het einde. Die donkerblauwe tinten, alsof je je in een oceaan begeeft. Zo rustgevend. Dat kan ik goed gebruiken. Oh, wat hoop ik dat ik hem krijg. Jullie zijn ook zo aardig en gastvrij. Ik hoop echt dat jullie voor mij kiezen.
KIM: We zullen je bellen als we een besluit hebben genomen.
MARIJN: Nou, onthoud dan maar dat ik hem vreselijk graag wil hebben. Echt leuk. Wat een schattige, schetige, poepige kamer. Als mijn vader deze kamer zou zien, zou hij direct aan het klussen slaan. Het is een goede man hoor.
BRAM: Zullen we weer naar de huiskamer gaan?
MARIJN: Oh ja, natuurlijk. Zo’n heerlijke kamer blijft wel op mijn netvlies staan. Foto’s zijn niet nodig. Die vergeet ik niet snel meer. (komen weer op)
KIM: Dat is handig.
MARIJN: Jullie zullen me bellen, hè?
KIM: We bellen je sowieso.
BRAM: Bedankt voor je bezoek.
MARIJN: Dank jullie wel voor de gezelligheid en de gastvrijheid. Jullie zijn leuke mensen. Als ik hier ooit bij jullie kom wonen, zal ik jou heerlijk verwennen (streelt Bram over zijn wang. Bram schrikt en schiet achteruit) Dat lekkere snoetje van jou, zou ik zo op kunnen vreten. En jij Kim, jij mag best toekijken, hoor. Ik ben altijd open wat mijn relaties betreft.
KIM: Dat is erg fijn. Wil je nog iets weten?
MARIJN: Nee hoor, dank je wel. Of wil jij nog iets van me weten, Brammetje? Ik vertel je alles wat je weten wilt. Al is het soms moeilijk om te zeggen wat je zeggen wilt, omdat anderen dan weer iets te zeggen hebben op wat je net gezegd hebt…
BRAM: (één en al angst) Nee hoor. Geen vragen meer!
MARIJN:  O.k. dan. Dag stuk van me. (Bram kijkt nog banger) Bedankt hè? (verlaat met Kim de kamer door deur rechts)
 
...
 

HomeNieuwsSchrijfsterWerkwijzeBestellenPrijzenTe koopAgendaPersContactStukken