HomeNieuwsSchrijfsterWerkwijzeBestellenPrijzenTe koopAgendaPersContactStukken

Blijspelen
Kluchten
Thriller
Drama/Toneelstukken
Eenakters
Damestoneel
Kind- en Jeugdtoneel

Kluchten
Een listige hartendief (8 vrouwen, 4 heren)
 
© 2007 Toneelteksten.nl

5 keer door een toneelvereniging opgevoerd


Het verhaal

Niels komt vaak in het park om even uit de dagelijkse sleur van zijn kantoorbaan te komen. Maar hij komt ook in het park om zijn liefjes te ontmoeten. Want ondanks dat Niels houdt van zijn vrouw kan hij niet zonder wat scharrels.
Wiebe, een zwerver die ook vaak in het park rondhangt, weet van Niels' hartendief, maar vindt het wel best.
Echter, Niels' vrouw komt achter zijn affaires en zal hem hier wel eens voor laten boeten. Samen met haar dochter, de kinderen van de buren, zwerver Wiebe en een stagiaire van Niels' werk maakt ze haar man zo bang dat hij zelfs in het park gaat slapen, omdat de 'man' van zijn liefje hem een koppie kleiner wil maken. En dan zijn er nog wat buurvrouwen die zo nieuwsgierig zijn dat ze zelfs undercover gaan om achter de waarheid te komen.
 
 
Korte dialoog
 
...
 
 
Myrthe komt op, maar geheel verkleed als man. Ze draagt een petje, een snor, een leren jas, een broek met gaten. Ze is duidelijk nerveus.
 
MYRTHE: Nou pa, kom maar op! Ik ben er klaar voor. Hoop ik!
 
Ze leunt tegen het standbeeld aan of gaat op het randje van de sokkel zitten.
Niels komt op, wat vreemd kijkend naar Myrthe, maar gaat wel op het bankje zitten.
Myrthe pakt een pakje shag tevoorschijn, haalt er een vloeitje uit en begint een sigaret te draaien (op een zeer klungelige manier, het is duidelijk dat ze dit niet veel vaker heeft gedaan). Niels kijkt haar een paar keer schuin aan, zij doet ditzelfde met hem. Als Niels even niet kijkt, pakt Myrthe snel een al gerold sigaretje tevoorschijn en steekt hem in haar mond. Zoekt vervolgens zeer overdreven naar vuur in al haar zakken.
 
MYRTHE: (met mannelijke stem) Hebbie misschien een vuurtje?
NIELS: Nee, ik rook niet.
MYRTHE: Shit!
NIELS: Is het zo dringend?
MYRTHE: Ik raak altijd me vuur kwijt. Da’s elke keer zo baluh!
NIELS: Misschien moet je stoppen met roken.
MYRTHE: Ach, een beetje roken ken geen kwaad. En ja, je leeft toch maar één keer. Ken je d’r beter maar een mooi leven van maken, toch?
 
Er valt een stilte. Niels kijkt af en toe naar Myrthe, zij kijkt af en toe terug.
 
NIELS: Je bent niet van hier, hè?
 
Myrthe springt op, komt dreigend op Niels af, die toch wel schrikt.
 
MYRTHE: Wil jij beweren dat ik nie alles op een rijtje heb staan?
NIELS: (wat ongemakkelijk) Oh… nee, zo bedoel ik het niet. Ik bedoel, je komt niet uit de dorp, hè?
MYRTHE: (lacherig) Uit het dorp hier zo? Ben daar gek. In zo’n gehucht wil toch niemand wonen?
NIELS: (meepratend) Nee, ik moet inderdaad ook nog steeds weg. Maar ik heb een vrouw die niet weg wil, hè?
MYRTHE: Ik weet wel een manier waarop je weg kunt… Het is maar voor een tijdje, maar je bent wel even helemaal weg. Alsof je naar de hemel gaat.
NIELS: (bangig) Naar de hemel? Ik heb je toch niks gedaan?
MYRTHE: (even van haar stuk) Oh, je bedoelt… welnee man. Ik ben chill, ik ben je maat. (gaat naast Niels op de bank zitten, die dit niet heel fijn vindt) Nee, ik bedoel meer… naar de zevende hemel.
NIELS: Lang geleden dat ik daar voor het laatst was.
MYRTHE: En ik ken je die trip geven!
NIELS: Die trip? Waar naartoe?
MYRTHE: Naar een soort hemelse plek.
NIELS: Oh, je bedoelt… nee bedankt.
MYRTHE: Komt hier vaak politie langs?
NIELS: Politie?
MYRTHE: Ja, beetje buurtpreventie houden en zo?
NIELS: (wat lacherig) In dit park?
MYRTHE: Nee, in je achtertuin. Nou goed…
NIELS: Nee, niet echt. Heel soms nemen ze het park mee op hun ronde, maar niet vaak.
MYRTHE: En… eh… komt hier wel wat jeugd?
NIELS: Iedereen komt hier.
MYRTHE: (na pauze) Wil jij niet snel veel geld verdienen?
NIELS: Altijd! (ziet het in) Maar niet op zo’n manier. Ik doe niet aan drugs.
MYRTHE: (luid) Sst! Niet iedereen hoeft het te horen.
NIELS: Sorry makker, ik geloof dat je de verkeerde voor je hebt. Ik ben tevreden met m’n baan.
MYRTHE: Weet je wat? Denk er nog eens over na. (staat op) Dan spreek ik je er de volgende keer wel over. (af)
NIELS: (zacht) Liever niet. Wat een enge vent. Denkt mij een beetje als zijn drugskoeriertje te gebruiken. Ik ben niet gek. Drugs. Hier, in een dorp waar kinderen onder de 16 nog niet eens aan alcohol denken. (wacht even) En thuis is er ook van alles mis. Bah, wat krijg ik de kriebels van Iris. Ik heb haar nog nooit zo naar me zien kijken. En steeds die telefoontjes en dat geklets met alles en iedereen. Ze gaat al steeds meer lijken op Cora en Dieuwertje. Waar je mee omgaat, word je mee besmet.
 
Renée komt op. Ze heeft zich zo mooi mogelijk opgemaakt en nette kleding aangetrokken.
 
NIELS: Nee Renée, ik heb toch gezegd dat ik even niet gestoord wilde worden…
RENÉE: Ik kom u ook helemaal niet storen, meneer van Kempen. Ik kom ook gewoon… even lekker relaxen.
NIELS: Hier?
RENÉE: Ja, ik mag vast wel even naast u op de bank komen zitten?
NIELS: (schuift met tegenzin een stukje op) Als je erop staat!
RENÉE: (gaat zitten) Hoe is het nu met u, meneer van Kempen?
NIELS: Waarom vraag je dat?
RENÉE: Gewoon. Uit interesse. U ziet er wat vermoeid uit, meneer van Kempen. U heeft het vast te druk.
NIELS: Renée, je bent een stagiaire…
RENÉE: Klopt. En ik wil u even zeggen hoe blij ik ben dat ik bij u stage mag lopen. Ik heb het zo vreselijk naar m’n zin.
NIELS: Oh, dus w.c.’s schoonmaken vind jij leuk werk?
RENÉE: En afwassen. En ramen zemen. Ik voel me zo gewenst.
NIELS: (niet zo bedoeld) Fijn voor je.
RENÉE: Maar het leukste vond ik dat ik u en uw klant koffie mocht brengen. Hij was zo blij met de moorkop die ik erbij had gegeven.
NIELS: Ja, een zeer handig etensding bij een belangrijke vergadering.
RENÉE: (na een korte pauzegaat dichter bij Niels zitten) Weet u, meneer van Kempen. Ik heb me nog niet vaak zo beschermd en prettig gevoeld bij een stagebegeleider. (Niels schuift snel een stukje op)
NIELS: Oh.
RENÉE: Uw stem verwarmt me. Uw glimlach laat mij smelten. U bent zo goed voor mij.
NIELS: (serieus) Renée! Ik ben getrouwd.
RENÉE: Ach, die cliënte vorige week liet u ook toe in uw intieme cirkel.
NIELS: (schuift weer verder op) Waar heb je het over?
RENÉE: (kruipt weer dichterbij – lieflijk) Maar wees niet bang, meneer van Kempen. Ik zal het tegen niemand zeggen.
NIELS: Wat heb je gezien?
RENÉE: Nou, ze was in ieder geval haar lens niet verloren. Dat is zo’n oude smoes.
NIELS: Waar heb je het over?
RENÉE: Of dat jullie een miertje bekeken die op de grond liep, is ook wat ver gezocht.
NIELS: Renée, je bent een stagiaire. Ik kan zo je school bellen en zeggen dat je niet naar behoren functioneert…
RENÉE: Meneer van Kempen. Ik vind het juist prachtig dat u niet zo huiselijk en trouw bent. U heeft pit. Lef. Dat is goed.
NIELS: (met schuine lach) Vind je?
RENÉE: Ja, ik ken weinig mannen die zo durven als u. Daarom haalt u natuurlijk ook zoveel klanten binnen. Maar… eh… hoe kijkt u aan tegen… zeg maar, one night stands?
NIELS: (geschrokken) Pardon?
RENÉE: Een man met lef moet keer op keer bewijzen dat hij echt lef heeft. Hoe ver durft u te gaan?
NIELS: Bedoel je nu dat jij… dat ik…?
RENÉE: Oh, meneer van Kempen. Ik lever een maand stagevergoeding in als u met mij een avondje…
NIELS: (springt op) Renée, wat denk je wel? Je gaat wel heel ver nu!
RENÉE: Gewoon een avondje uit. Naar een eettentje en vervolgens ergens wat drinken. Het klikt tussen ons. Dat moet u ook voelen.
NIELS: Renée! Ik ben bijna veertig jaar ouder dan jij. Ik kan dit niet doen…
Renee: (staat ook op) Denkt u er toch eens over na. (met speelse blik) Ik heb meer in huis dan u denkt. (af)
NIELS: Brrr! Ik moet er niet aan denken. Nou ja, aan de andere kant. Voor één avondje… Moet kunnen.
 
Jochem komt op. Onherkenbaar. Hij ziet er guur en onverzorgd uit. Stoppelbaardje van een paar dagen en een flink litteken op zijn wang. Gaat zeer dichtbij Niels op de bank zitten, die hem wat angstig en bedrukt schuin aankijkt.
 
JOCHEM: Niels van Kempen, ik zal kort zijn.
NIELS: K…k…ken ik jou?
JOCHEM: Nee, maar ik jou wel. ’t Is simpel. Jij laat mijn moeder vanaf nu met rust.
NIELS: (denkt even na) Ik ken jou niet, hoe moet ik je moeder dan kennen?
JOCHEM: Ik heb zes jaar gezeten, weet je? (wacht even) En weet je waarvoor? (Niels slikt) Voor de moord op een kerel die het huwelijk van mijn ouders kapot wilde maken. Joost heette hij. Een mislukt mannetje. Net als jij. Hij verdiende niet meer dan de dood, die loser. En ik zeg jou dit; ik zou het zo weer doen. Niemand fuckt met mijn moeder.
NIELS: Wie is je moeder dan?
JOCHEM: Als je je lippen aflikt, proef je haar misschien nog.
NIELS: Meneer, ik wil het u best uitleggen, maar dan moet u wel wat duidelijker zijn.
JOCHEM: Gisteren heb je haar nog gesproken. Hier… bij dit bankje zelfs. Wat kenmerkend dat u nu, op datzelfde bankje oog in oog zit met haar zoon.
NIELS: Ben jij de zoon van Marloes den Boogaard?
JOCHEM: Ah, meneer is toch niet zo dom als hij eruit ziet.
NIELS: Maar Marloes heeft toch helemaal geen kinderen?
JOCHEM: Ach ja, als zoonlief de bak indraait voor een gruwelijke moord wordt hij nog wel eens zo snel mogelijk vergeten. Tenminste, dan tracht zijn familie altijd. Alleen, het lukt niet. Zoonlief draaft overal op. In hun dromen, in hun nachtmerries, ’s avonds als het stil in huis lijkt te zijn, tijdens het snijden van een ui. En ja, moedergevoelens zijn sterker dan welke gevoelens ook.
NIELS: Ik zie je moeder inderdaad. Maar, ik kan je dit zeggen; ik kan er zo een punt achter zetten. Eén telefoontje is genoeg.
JOCHEM: (begint zeer gemeen te lachen) Wat een lapzwans ben jij, zeg. (kwaad) En wat een godvergeten rotzak. Je dumpt haar maar gewoon. Zo van, ach, het is afval; die zetten we wel even aan de straat voor andere begerige mannen. Man, jij snapt er echt helemaal geen bal van.
NIELS: (angstig) W…w…wat wil je d…d…dan dat ik doe?
JOCHEM: Je mag haar geen pijn doen. Dat verbied ik je. Niemand doet mijn moeder pijn.
NIELS: Nee, ik wil haar ook helemaal geen pijn doen, maar ik dacht… ik begreep van jou, d…dat ik haar juist met rust moest laten.
JOCHEM: Ik weet anders wel een simpeler oplossing. (pakt Niels bij zijn blouse ter hoogte van zijn borst) Ik vermoord jou gewoon. Geen haan die er naar kraait. Mijn moeder komt er nooit achter, want er is niemand die van jouw relatie met haar afweet. Jouw vrouw is eindelijk van die bedrieger af en ik… ik blijf de moordenaar die ik was. Ja, als je eenmaal begint met moorden, wil je meer. De kick die dat geeft is meer waard dan welke reis naar de zevende hemel ook.
NIELS: (wat terzijde) Weer die zevende hemel.
JOCHEM: (gezicht woest dichtbij dat van Niels) Wat zei jij?
NIELS: L…laten we het een b…b…beetje humaner maken. Vertel wat je w…w…wilt dat ik doe. Dan volg ik dat op.
JOCHEM: (staat op) Dat laat ik aan jou over, beste vriend. Maar… geen foute stappen, want anders… (trekt met een symboliserend mes langs zijn keel – loopt gniffelend af)
 
Niels zit nog na te beven. Moeizaam ademend.
 
NIELS: Jee, wat een creep was dat. En die ogen, wat een haat lag daarin. En toch… ik zag er iets bekends in. Of leek hij gewoon op zijn moeder? Pff, ik moet echt even weg hier. Naar kantoor. Dit moet ik even laten bezinken. (af)
...
 


Dikke billen en huiduitslag (4 vrouwen, 4 heren)
 
© 2007 Toneelteksten.nl

5 keer door een toneelvereniging opgevoerd

Het verhaal
 
Chiel van Straaten is een dokter die het voor elkaar krijgt al zijn patiënten in zijn afvalkliniek te laten afvallen. Het kan dus niet uitblijven dat zijn bedrijf landelijke bekendheid krijgt. Iets waarmee elke directeur blij zou zijn, maar Chiel niet. Hij heeft namelijk nog een schuld openstaan bij zijn tante. Hij begrijpt dat ook zij achter zijn succes zal komen en dat ze waarschijnlijk direct op de stoep zal staan om haar geld terug te vragen.
Chiel smeedt samen met zijn rechterhand Vera een plan op te zetten om tante Rosa direct weer weg te jagen.
Echter, de eigenzinnige en bijzondere patiënten Puck, Inez, Sterre en Joris zien in dat er iets niet klopt. Vera heeft hen verteld dat de dokter doodziek op bed ligt. Een vreemde dame (Chiel als vrouw) neemt zijn taken tijdelijk waar.
Dan is er ook nog Daan die koste wat het kost zijn vrouw Sterre wilt vinden. Sterre is doodsbang voor hem en het lukt Chiel en Vera Sterre uit handen van deze gevaarlijke man te houden. En dan is er nog de bemoeizuchtige moeder van Joris, die langskomt op een zeer verkeerd moment. Vanzelfsprekend loopt het allemaal anders dan Chiel en Vera gehoopt hadden en krijgen ze een grote koek van eigen deeg.
 
 
Korte dialoog
 
 
Sterre komt op vanuit de rechterachterste deur.
 
STERRE: Oh, dag mevrouw. Heeft u de secretaresse van dokter van Straaten misschien gezien?
INEZ: Vandaag nog niet. Waarom zoekt u haar?
STERRE: Ik wil een afspraak maken.
INEZ: (bekijkt Sterre van top tot teen) Volgens mij maakt de dokter nooit afspraakjes met vrouwen. Hij heeft het te druk voor een relatie. Sorry! Volgende keer beter.
STERRE: Nee, een afspraak om in de afvalkuur te worden opgenomen.
INEZ: Om af te vallen? Mens, een huidzak met botten is niet echt bepaald gezond, hoor.
STERRE: (draait haar kont naar Inez toe) Mijn kont moet eraf.
INEZ: Oh, ik begrijp het. U wilt man worden. Nou mevrouw, dan moet u een paar straten verderop zijn, want daar zit een plastische chirurg.
STERRE: Aardig van u dat u mij zo’n groot compliment geeft. Het is lang geleden dat mijn Daan dat gedaan heeft.
INEZ: Compliment? Wat mis ik?
STERRE: Daan zegt dat hij vier handen nodig heeft als hij m’n billen wil strelen.
INEZ: Mevrouw, u heeft een prachtige kont en ik kan u dit zeggen; Hier zitten alleen maar te dikke vrouwen die er liever niet de hele dag aan herinnerd worden dat ze te dik zijn. En als we naar jou kijken, worden deze pijnlijke gevoelens juist aangewakkerd.
STERRE: Daarom wil ik die kont ook kwijt. Het is zo pijnlijk om er elke keer weer naar te moeten kijken.
INEZ: Weet u hoe ze hier te werk gaan?
STERRE: Nee.
INEZ: (vertelt verhaal zeer dreigend) De eerste week word je in een kamertje van 2 bij 2 meter gestopt, waar je elke dag 2 sneeën brood en 3 glazen water krijgt. Als je uit dat hok komt, word je 20 kilometer hiervandaan in een bos neergezet, met enkel een bidon water. Dan moet je de weg naar de kliniek zien terug te vinden. Binnen vijf uur, want lukt je dit niet, dan ga je dat 2 bij 2 meter hok weer in. Ben je wel binnen de toegestane tijd terug, dan moet je bij een soort heks komen, die elektroden op je hoofd zet en je hersenspoelt. Daarna word je zo geprogrammeerd dat je alleen maar groenten, fruit en vruchtensapjes wilt drinken, waarna je pillen toegediend krijgt die je spieren voedt om vervolgens uur na uur te gaan trainen in blubberachtige, smerige stormbanen. Zolang tot je een kilo kwijt bent.
STERRE: Alles om die reet kwijt te raken. Ik heb er nu al zin in.
INEZ: (schudt haar hoofd) Meid, je bent stapelgek. Maar zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.
STERRE: Bedankt voor uw welkome ontvangst. Het gaat me zeker lukken. Dan ga ik nog maar even in de wachtkamer zitten. Die secretaresse zal me zo wel komen ophalen.
INEZ: Vast! (Sterre af door de rechterachterste deur) Waar een mens zich tegenwoordig al niet druk over maakt.
 
Puck komt op via de achterste deur.
 
PUCK: Hoi Inez.
INEZ: Ha die Puck. Kom je ook voor je pillen?
PUCK: Ja! Ik vind dat altijd zo’n spannend moment.
INEZ: Hoezo dat dan?
PUCK: Stel dat het de verkeerde pillen zijn. Wat zou er dan allemaal niet kunnen gebeuren?
INEZ: Alle pillen hier zijn hier gebrouwd uit plantenextracten en natuurlijke grondstoffen. Daar kan weinig mis mee zijn.
PUCK: Veel giftige stoffen komen ook zo uit de natuur. Misschien zit er per ongeluk wel een gemalen giftige paddestoel in. Of een toxische plant.
INEZ: Ik denk het niet, Puck.
PUCK: Ik had eens een tante. Ze woonde in Utrecht. Ze maakte altijd brouwseltjes van planten en bloemen uit de natuur. Gezond als een vis. Altijd fit en ze voelde zich kiplekker. En opeens… was ze dood. Morsdood. Uit onderzoek bleek dat ze een stofje door een brouwseltje had gemengd dat nog giftiger was dan het gif van de allergiftigste slang.
INEZ: (gelooft er het hare van) Juist ja.
PUCK: Dus vandaar… Oh, en mijn moeder heeft eens een zalfje van de dokter gehad. Ze had voetschimmel en een paar grote wratten. (Inez kijkt smerig) Dat zalfje was compleet onschadelijk, zei de dokter. Nou, ze smeerde haar voeten ermee in. Toen ze de volgende dag wakker werd, zaten haar voeten onder de brandblaren. Ze was ze bijna kwijt geweest. Dus Inez, ik waarschuw je maar even.
INEZ: Alles wordt toch altijd uitgebreid getest voor het aan mensen wordt voorgeschreven?
PUCK: Wie zegt dat dokter van Straaten dat doet met zijn middeltjes. Ik heb tenminste nog nooit een muis met een oor op zijn rug langs zien rennen of een kikker met drie achterpoten. En die pillen worden hier gemaakt…
INEZ: Ik… eh… ik geloof dat ik nog vergeten ben mijn tanden te poetsen. (af via achterste deur)
PUCK: Zo leef je en zo is je leven voorbij.
 
Daan komt op uit het publiek. Hij kijkt verwilderd en is bezweet.
 
DAAN: Waar is Sterre?
PUCK: Die staan ’s nachts hoog aan de hemel. Je kunt er zo heerlijk naar kijken als het een heldere avond is.
DAAN: Nee, mijn vrouw Sterre!
PUCK: Ik wist helemaal niet dat er vrouwelijke en mannelijke sterren waren. Weer wat geleerd.
DAAN: Niet al te groot. Slank postuur. (smullend) En een heerlijke kont.
PUCK: Nou meneer, dan bent u zeker aan het verkeerde adres. Hier zijn alleen vrouwen die worstelen met hun gewicht. De enige slanke vrouw hier is Vera. Maar die zoekt u niet.
DAAN: (roept luid) Sterre! Sterre, waar zit je dan?
PUCK: Meneer, ze is hier niet. Echt niet. De perfecte vrouw komt hier niet.
DAAN: Waar is dokter van Straaten?
PUCK: Die is hier wel.
DAAN: Mooi! Breng me bij hem!
PUCK: De dokter kan overal zitten. Bij patiënten. Of op zijn kantoor. En soms is hij zelfs bezig in het washok. Maar eigenlijk alleen als Vera er niet is.
DAAN: (roept) Dokter van Straaten! Waar bent u? (nog harder) Dokter van Straaten?!
 
Vera komt uit het rechterkamertje op. Ze draagt een dienblad met kleine plastic bekertjes.
 
VERA: Meneer, schreeuwt u alstublieft niet zo! Onze patiënten hebben hun rust hard nodig.
DAAN: Waar is dokter van Straaten?
VERA: Meneer wil afvallen? Geen probleem. Ik zal uw gegevens direct in ons boek noteren.
DAAN: Helemaal niet. Ik ben toch niet gek? Ik zoek mijn vrouw.
VERA: Uw vrouw?
DAAN: Sterre de Zier is haar naam.
VERA: Sterre? (denkt na) Sterre? Mmm, hebben wij hier een Sterre? Een Sterre de Zier? Laat me toch eens even nadenken.
DAAN: Kijk dan in dat boek van je.
VERA: Meneer, al zouden we hier een Sterre de Zier hebben, wij geven geen gegevens van patiënten vrij. Zij krijgen hier volledige privacy.
DAAN: Ze is mijn vrouw. Als man heb ik toch recht om te weten waar mijn vrouw is?
VERA: Oh… u bent… meneer de Zier?
PUCK: Hoe weet u dat?
DAAN: Goed geraden. Nou, zeg op. Waar is ze?
VERA: Meneer de Zier, u komt erg dreigend over. U doet erg agressief.
DAAN: Ik moet mijn vrouw vinden. Voor het te laat is.
VERA: Al zouden wij haar hier hebben, dan zouden we, alleen al om haar te beschermen, niet zeggen dat ze er is.
DAAN: Er is geen tijd te verliezen. Ik moet haar spreken.
VERA: Met harde hand zeker, hè?
DAAN: Met harde hand? Mens, waar heb je het over?
VERA: Vertrekt u nu maar gewoon weer. Als uw vrouw van u houdt, komt ze vanzelf weer bij u.
PUCK: Goed opgemerkt. Ze komt vanzelf weer, meneer de Zier.
DAAN: Dit is… dit is gewoon een sekte. Jullie houden de mensen hier gedwongen vast.
PUCK: Echt niet. De deur staat de hele dag open. Alleen in de winter niet. Of als het hard waait. Nee, dan wordt het hierbinnen zo’n stormachtig geheel.
DAAN: Reken maar. Ik kom terug. Ik moet haar tegenhouden! (stampt woest af via publiek)
VERA: (nakijkend) De brutaliteit zeg. Wat een kerel. Nou, ik had gelijk, hoor.
PUCK: Waarin?
VERA: Nou, Sterre had daarstraks gezegd dat we haar man niet mochten vertellen dat ze hier zat. Ik zei tegen Chiel… pardon… dokter van Straaten voor u, dat ze bang voor hem was. Je ziet het! Bloeddoorlopen ogen, schuim om zijn mond en bonkende slapen. Een Neanderthaler ziet er vriendelijker uit dan hij.
PUCK: Wie is Sterre dan? Die ken ik namelijk nog helemaal niet.
VERA: Ze zit hier voor haar billetjes.
PUCK: Voor haar kont?
VERA: Die wil ze kwijt.
PUCK: Haar hele kont?
VERA: Nou ja, een stukje ervan dan. Maar ze heeft echt een prachtig gevormde billenpartij, dus ik denk dat ze… (draait met haar vinger naast haar slaap) niet helemaal in orde is daarboven. Komt misschien doordat haar man haar te vaak geslagen heeft.
PUCK: Dan zal ik haar nog wel tegenkomen. En ik zal eens even goed met haar praten. Er zijn zoveel mooie dingen in het leven.
VERA: (houdt dienblad voor Puck) Hier, je pillen!
PUCK: Dank je wel. (pakt het bekertje, bekijkt het bekertje van alle kanten, ruikt eraan, voelt eraan, weegt het gewicht van een pil, bekijkt een pil van dichtbij)
VERA: Vanwaar al deze onderzoeken?
PUCK: (neemt heel voorzichtig een likje van de pil in haar hand en staat op) Nu maar even afwachten of ik niet binnen tien minuten neerval. (af door de achterste deur)
  VERA: Hoe gek sommige mensen kunnen worden van te weinig eten. Wat dat betreft speelt de dokter met vuur.
 
...




 
Uitgeslapen logées (4 vrouwen, 4 heren)
 
© 2006 Toneelteksten.nl
 
4 keer door een vereniging opgevoerd
 

Het verhaal
 
Op een dag komt Tom met Mascha thuis; een jongedame uit Leiden die, hoogzwanger, autopech kreeg vlakbij zijn garage. Ze is erg arm en kon nergens anders naartoe, waardoor Tom haar een logeeradres heeft aangeboden. Hij wil de jongedame voor zijn vrouw verborgen houden, omdat hij bang is dat ze boos zal worden. Milou, de vrouw van Tom, is door haar tante Sophie gebeld. Sophie wil samen met haar man Robbert, haar loophondje, komen logeren, omdat er thuis een nieuwe vloer wordt gelegd. Tante Sophie is een erg eigentijdse vrouw, maar zeer bemoeizuchtig en bazig, wat ze zelf overigens niet vindt. Milou weet zeker dat tante de tuinman (Joep) die zij ingehuurd heeft, afkeurt, omdat ze vast vindt dat Tom de tuin zelf moet doen. Ze houdt de tuinman dus geheim. Tante Sophie komt juist als Milou en Tom even weg zijn. Ze ontmoet Joep en Mascha en weet zeker dat ze de geheime liefdes zijn van Milou en Tom. Dit wil ze tot op de bodem gaan uitzoeken, waarna ze denkt dat Mascha op bezoek is bij ‘gigolo’ Tom. Opa Rijk loopt ook in huis rond, maar hij is dement en wat doof. Hij snapt dan ook weinig van wat er om hem heen gebeurd. Wel heeft hij een oogje op de verwarde buurvrouw Bep, die altijd op zoek is naar haar poes Miesje. Opa Rijk vindt de dame erg charmant en wil haar dan ook graag voor zich winnen. Het lijkt erop dat een enkeling van bepaalde mensen nooit zal weten wie ze nou eigenlijk zijn, totdat Mascha valt en haar geheugen kwijt is. Ze denkt dat Joep haar verloofde is, wat eigenlijk voor iedereen goed uitkomt. Vooral voor Joep, die is namelijk inmiddels stapelverliefd op de vrouw geworden en is dolblij met haar toekomstige kind. Maar ja, de waarheid blijft niet voor altijd geheim.
 
 
Korte dialoog
 
...
Sophie en Robbert komen op vanuit de keuken. Sophie heeft een keukenschort om, heeft een emmer vast en draagt rubberen handschoenen. Robbert staat met de gereedschapkist in handen.
 
SOPHIE: Echt Robbert. Tom is een gigolo. Hij laat meisjes betalen voor een… flinke beurt, zeg maar.
ROBBERT: Wat voor beurt bedoel je, schat?
SOPHIE: Ukkel! Zoiets als een hoer onder de vrouwen, maar dan de mannelijke versie.
ROBBERT: (met smakelijk handgewrijf) Oh… dat. (ziet Sophie boos kijken) Maar dat is toch helemaal niks voor Tom? Daar is hij veel te verlegen voor.
SOPHIE: Twijfel je aan mij, Robbert? Ik heb toch altijd gelijk?
ROBBERT: Ja dat wel, schat. Maar Tom…
SOPHIE: Robbert, die meid zei het zelf tegen me. Ze zei zelfs dat haar snoepje een speciale behandeling kreeg. Twee keer raden wat ze met dat snoepje bedoelde… (wacht even) En ze had het erover dat dit snoepje een beetje roestig is, dus dat het allemaal niet meer zo gemakkelijk zou gaan. Nou, dikker kan het er toch niet boven op liggen?
ROBBERT: Misschien heb je gelijk, schat.
SOPHIE: Nee, heb ik gelijk. Ik heb altijd gelijk.
ROBBERT: Natuurlijk, schat.
SOPHIE: Goed, we gaan dat toilet eens even flink onder handen nemen. Ik heb al een oude tandenborstel gevonden, dus dat moet lukken.
ROBBERT: Ik loop mee, schat.
 
De twee gaan af via rechterdeur. Het duurt heel even voordat Milou en Tom opkomen door de rechterdeur. Ze zijn in gesprek.
 
MILOU: Man, wat zit je nou steeds te wiebelen? De hele middag al. Ik word poepie zenuwachtig van je.
TOM: Wiebel ik?
MILOU: Alsof je aambeien hebt en niet op je kont kan zitten. Zo erg zelfs.
TOM: Het komt gewoon door die tante van jou. Zij geeft mij de kriebels.
MILOU: Hoezo?
TOM: En dan moet ik ook nog doen alsof ik druk in de tuin bezig ben. Ik kan nog niet eens een plantje verplanten.
MILOU: Joep helpt je er toch bij?
TOM: Ja, maar zodra hij maar denkt iets te zien of te horen wat heel misschien tante kan zijn, drukt hij zich door de struiken heen en schuilt in de tuin van de buurvrouw.
MILOU: Hij moet zich ook voor haar verschuilen. Dat heb ik hem opgedragen.
TOM: Vijftig keer in het uur?
MILOU: Tom, je doet erg negatief. Je begrijpt toch wel hoe tante Sophie tegen ons aan zal kijken als ze erachter komt dat we onze tuin niet eens zelf bijhouden?
TOM: Ik ben garagemonteur, geen tuinman.
 
Opa komt op door de rechterdeur. Hij heeft een groot spandoek vast waarop staat ‘Ik ben in staking’. Hij loopt ermee naar de kast en plakt de doek met plakbandjes vast op de kast. Milou en Tom kijken alleen toe. Als opa klaar is, loopt hij naar zijn stoel, gaat met zijn armen over elkaar zitten en kijkt boos. Milou en Tom wisselen blikken, maar reageren alsnog niet.
 
TOM: En ik snap niet dat Robbert nog steeds bij d’r is. Ze is een kol, een autoritaire tante. Emancipatie, prima, maar zij is nog erger dan… dan… nou ja, noem maar iemand.
RIJK: Hallo! Ik staak hoor.
MILOU: Tom, ze blijft maar voor een weekje. Ze is nu eenmaal familie. En dan nog, de keuken is in geen tijden meer zo mooi schoon geweest. (kijkt pijnlijk naar haar handen) Al heb ik de ammoniakwonden in mijn handen gekerfd staan…
RIJK: En ik staak net zolang tot jullie naar me luisteren.
TOM: Milou, ze is het toilet met een tandenborstel aan het schoonpoetsen. De nonnen in het klooster hebben het beter dan zij.
RIJK: En ik hou het vol. Al is het ‘t laatste wat ik doe.
MILOU: Ze bedoelt het allemaal goed. Echt, ze heeft een gouden hart.
RIJK: Ik ben nog steeds een man en leef zoals het mij betaamd.
TOM: We zijn verdorie vanmiddag voor haar naar de stad gereden om een nieuw matras te kopen. Het oude matras was haar te min. Belachelijk toch?
RIJK: Ik weet zeker dat ik nog aan een baan kan komen. Ik ben nog lang niet afgedraaid.
MILOU: Ze had gelijk. De springveren staken door de buitenkant heen. Dat matras had vijf jaar geleden al bij het grof vuil gezet moeten worden.
RIJK: Vanaf nu doe ik niets meer van wat jullie zeggen.
TOM: Pa, wat loop je nou in jezelf te praten? (kijkt Rijk aan, die niet antwoord)
MILOU: Tom, zie het even van de andere kant. Tante Sophie zwemt in het geld en dat zal ze blijven doen ook. Als zij overlijdt, is het maar goed dat we zo goed voor haar zijn geweest. Misschien krijgen we dan wel een mooi deel van de erfenis.
 
Er klinkt een nies, die Milou niet direct kan plaatsen. Tom weet wel waar het vandaan komt, wordt weer erg wiebelig en staat wat haastig op.
 
MILOU: Waar kwam dat vandaan?
TOM: Liefste, als jij nou even koffie gaat zetten, dan haal ik uit de kelder een pak lekkere koeken.
MILOU: Wat een haast opeens. Wat is er?
TOM: Helemaal niks. Joh, lekker een kopje koffie. Robbert en tante Sophie lusten vast ook wel een kopje. (begint Milou een beetje richting de keuken te duwen)
MILOU: Het is net zeven uur geweest.
TOM: We hebben toch vroeg gegeten? Toe, ik heb zo’n zin.
MILOU: Beloof me dan één ding. Dat je me vanavond verteld waarom je zo raar doet.
TOM: Dat beloof ik. (geeft Milou haastige kus, duwt haar richting keuken, Milou af) Niet helemaal optimaal, maar ik heb er wat tijd mee gewonnen. (gaat naar de kast en opent deze – Mascha komt tevoorschijn) Sorry, ik was even vergeten dat je er nog in zat.
MASCHA: Volgens mij al bijna een uur. Ik moet helemaal (niest weer) … niesen van al die stof daar in.
TOM: Je zult toch weer moeten verdwijnen. Milou denkt dat je naar huis bent, samen met Joep.
MASCHA: Dat snap ik ook wel. Maar alsjeblieft, mag ik uit die kast? Ik word helemaal clownosfobisch daar so.
 
De keukendeur gaat open. Milou komt half binnen terwijl ze het koffiepak leest wat ze vasthoudt. Tom schrikt even vreselijk en duwt Mascha met een harde vaart door de tuindeuren naar buiten. Dan pas kijkt Milou op.
 
MILOU: Sinds wanneer hebben wij cafeïnevrije koffie?
TOM: (wat nerveus) Wat voor koffie?
MILOU: Cafeïnevrije… Dat lust ik niet eens.
TOM: Ik moet dat ook niet.
MILOU: Toch staat het in de kast.
 
Sophie komt de kamer binnen via rechts, ze heeft een tandenborstel in haar hand.
 
SOPHIE: Hebben jullie nog een oude tandenborstel? Hier zit bijna geen haartje meer op.
TOM: (ziet de tandenborstel en schrikt) Oh, maar dat was de tandenborstel die ik nog gebruikte. Die was helemaal niet zo oud.
SOPHIE: Oh, nou als je hem even goed schoon spoelt, lukt het misschien nog wel. (ziet Milou met de koffie) Oh lekker, koffie. Heb ik zin in. Vooral in die cafeïnevrije koffie die ik vanmiddag gekocht heb. Cadeautje van mij voor jullie. Alsjeblieft. (Milou zucht en gaat weer af naar keuken, Sophie kijkt rond, ziet poster) Zo, wie staakt er hier?
TOM: (wijzend op opa) Hij.
SOPHIE: Waarom dan?
TOM: Weten wij ook niet. Moet je hem vragen.
SOPHIE: (luid) Rijk, waarom staak je?
RIJK: (stoïcijns) Omdat ik ook iets te zeggen wil hebben in dit huis. Waar ik ook om vraag, ik krijg helemaal niets. Vanaf nu doe ik helemaal niets meer.
TOM: Maar pa, je deed al niets.
RIJK: Toch staak ik.
SOPHIE: Je goed recht, hoor. (gaat dichterbij Tom staan – stuk zachter) Hé, maar even iets anders. Ik weet van je kleine (beeldt aanhalingstekens met handen uit) ‘bijbaantje’ en natuurlijk keur ik het af, maar goed, het is jouw leven. Maar is het niet erg stom om die meisjes hier thuis te ontvangen?
TOM: Sorry?
RIJK: En voor dit soort dingen staak ik ook. Dat gefluister waar ik bij zit. Het gaat altijd over mij.
SOPHIE: (niet reagerend) Het is zo ordinair. En is die aankomende kleine van jou?
TOM: Tante Sophie, ik kan u niet helemaal volgen.
SOPHIE: Wees maar niet bang, hoor. Je geheim is veilig bij mij. Ik bemoei me nergens mee. (luider) Heb je toevallig nog ergens een oude tandenborstel liggen?
TOM: (ziet het in, weer zacht) Hoe weet u dat van Mascha?
RIJK: En daar gaan ze weer. (roept hard) Fluisteren in gezelschap, dat mag niet. Dat leert elke ouder aan zijn of haar kind.
SOPHIE: Dat weet ik gewoon, maar doe je wel voorzichtig, jongen? Wat je tegenwoordig allemaal niet kan oplopen.
TOM: Ik vertrouw haar wel, hoor. Naar mijn idee is het zonder gevaar.
SOPHIE: Hoeveel betaalt ze je ervoor?
TOM: Oh, dat weet ik nog niet precies. Dat moet ik nog even uitrekenen. Natuurlijk is het arbeidsloon het hoogste bedrag, maar ik moet even kijken welke kosten erbij komen.
SOPHIE: Ja, op zich kun je zoiets wel arbeidsloon noemen. Maar een hele nacht. Is dat niet de grootste afzetterij? Dat arme kind heeft amper geld en dan laat je haar voor een hele nacht blijven.
TOM: Oh, maar voor vannacht betaalt ze niets, hoor. Je moet tegenwoordig een flink klantvriendelijk zijn als je je klanten wilt behouden.
SOPHIE: Jongen, wat doe je dom. Kun je eindelijk met weinig werk een flinke dot geld verdienen en dan doe je dat gedeelte helemaal gratis.
TOM: Wat u al zei, ze heeft weinig geld. En al komt ze van ver, ik hoop haar zo toch als klant te houden.
SOPHIE: Nogmaals, ik bemoei me er niet mee. (zeer duidelijk afkeurend) Maar ik vind het smerig. Vooral omdat je eerst bij je eigen vrouw in bed ligt en dat je dan bij haar in bed kruipt. Bah, te onsmakelijk voor woorden gewoon! (Tom kijkt verbaasd – weer luider) Nou ja, nog een paar rotplekjes in die toiletpot en dan een heerlijk kopje koffie. Heb ik wel verdiend, al zeg ik het zelf. (af via rechts)
TOM: Ik geloof dat ik wat gemist heb. (denkt even na) Als ze het maar niet aan Milou vertelt. Nou ja, ze keurt het af, dus ze zal het niet snel doorvertellen.
 
Joep komt op door de rechterdeur, kijkt wel eerst rond, voor hij verder op komt. Tom schrikt als hij hem ziet.
 
TOM: Joep, wat doe jij hier nou nog? Je bent toch al naar huis?
JOEP: Ik komt Mascha ophale. Ken je mij zegge waar ze is?
TOM: Je komt haar ophalen? Wat bedoel je?
JOEP: Ik gaat met d’r naar een eettentje. Romantisch met ze twee, lekker bij een kaarsie. En ik betaalt, want ik hebt net me loon gekrege.
TOM: Ken je haar dan?
JOEP: Hallo, natuurlijk kent ik haar. Ik hebt toch vanmiddag met d’r lope kletse. Wat een domme vraag, zeg.
TOM: (glimlacht erg nep) Ga maar weg via de tuin. Daar zit Mascha ook ergens.
JOEP: Wat mot ze in de tuin dan?
TOM: Vraag dat maar aan haar. Dan kun je het tenminste ergens met haar over hebben straks.
JOEP: (haalt bos bloemen, die nogal verlept zijn, tevoorschijn) Kijk, deze gaat ik aan d’r geve. Zal ze ze mooi vinde?
TOM: Vast wel.
 
Vanuit de tuin klinkt er een harde gil. Tom en Joep schrikken. Vanuit de keuken komt Milou opgerend, vanuit de gang komen Robbert en Sophie binnengerend. Joep rent naar buiten, gevolgd door Tom.
 
MILOU: Wat was dat voor afgrijselijke gil? Het leek wel of er iemand ergens afviel.
SOPHIE: Het kwam vanuit de tuin.
 
De dames lopen richting de tuindeuren. Joep en Tom komen binnen met Mascha, die bewusteloos is, in hun armen.
 
MILOU: (tot Joep en Mascha) Wat doen jullie nou hier?
JOEP: (helpt Mascha samen met Tom op de bank) Oh Mascha, gaat het wel, meissie?
SOPHIE: Haal een paar natte, koude doeken. (Robbert wil richting de keuken rennen) Nee jij niet, flapdrol. Milou! (Milou die nog steeds niet begrijpt wat Joep en Mascha in haar tuin doen, snelt naar de keuken) Waar is ze vanaf gevallen?
JOEP: Volgens mij van het dak.
SOPHIE: Van het dak? Wat moest ze daar?
TOM: Verstoppen misschien.
SOPHIE: Op het dak?
TOM: (zacht) Ik zei maar wat.
BEP: (op via tuindeuren) Oh, ik hoorde zo’n vreselijke gil. Ik hoop zo dat het mijn Miesje niet was.
MILOU: Nee, het is Mascha. Ze is zojuist waarschijnlijk van het dak gevallen.
BEP: Toch niet boven op mijn Miesje, hè?
MILOU: Nee, ze viel gewoon boven op de grond.
BEP: Oh gelukkig maar. (slaat haar hand tegen haar hart) Ik maakte me al zulke grote zorgen. En ze is nog steeds niet thuis geweest vandaag. Ze is vast verdwaald. Misschien vindt ze zelf de weg wel nooit meer terug. (snikt hoorbaar)
RIJK: (komt dichterbij kijken en bekijkt Mascha) Is ze dood?
SOPHIE: Nee, natuurlijk niet. Kijk, ze ademt gewoon.
RIJK: Dan komt het wel weer goed. (gaat weer naar zijn stoel, waar hij gaat zitten. Milou vanuit de keuken op met natte doek, ze geeft deze snel aan Sophie die Mascha’s voorhoofd dept – Mascha komt langzaam bij)
JOEP: Oh kijk, d’r oge gaan alweer een beetje ope.
MASCHA: (zacht) Waar ben ik?
JOEP: In het huis van meneer en mevrou van Zante. Hebt je nie teveel pijn?
MASCHA: Au, mijn hoofd. Het lijkt wel of ik in zo’n snelle achtbaan zit. (kijkt rond) Maar… wie zijn jullie allemaal?
SOPHIE: Oh jee… oh jee, oh jee, oh jee.
ROBBERT: Wat voor ‘oh jee’?
SOPHIE: Ze is d’r geheugen kwijt door de val. (tot Mascha) Weet je nog wel hoe je heet?
MASCHA: (schudt haar hoofd)
SOPHIE: Oh jee, een ernstig geval van geheugenverlies. Zeer ernstig.
ROBBERT: Zal ik een dokter bellen?
SOPHIE: Wacht daar maar even mee. Ze is in ieder geval wakker.
MILOU: Maar dat kan ook als ze een hersenschudding heeft.
SOPHIE: Als ze een hersenschudding heeft, legt de dokter haar rust op. Nou, dat kan ik haar ook wel vertellen. Daar hoef je geen afstudeerde dokter voor te zijn.
JOEP: Oh Mascha, je heb ons zo late schrikke.
MASCHA: (kijkt Joep recht aan) Maar jou ken ik wel. Jij bent Joep, mijn verloofde.
 
Iedereen schrikt behoorlijk, behalve Milou.
 
DOEK
 
...

 

Toevallig per Ongeluk (6 dames/4 heren)

© 2006
 
3 keer door een vereniging opgevoerd
 
 
Het verhaal
 
In deze klucht, die zich afspeelt op het terras van een herberg op Curaçao, zien we Kim, die verandering wil brengen in haar moeder’s ziekige toestand. Ze denkt de oplossing te hebben gevonden in het vinden van een nieuwe man voor haar moeder. Ze heeft enkele maanden met een drietal Nederlandse heren geschreven, zichzelf voordoend als haar moeder en heeft ze nu uitgenodigd naar Curaçao te komen, naar de herberg die Senna daar jaren geleden met eigen handen opgestart is. Machiel, de broer van Kim weet niets van Kim’s opgezette plan en doet gewoon zijn werk als klusjesman in de herberg. Als natuurmens Magda verschijnt, moet hij met haar mee om de natuur meer te leren waarderen, waar hij vreselijk van baalt. Ook heeft hij vlinders ten opzichte van Noa, een ‘gewone’ vriendin, maar onderneemt geen stappen. Maartje, een schoonmaakhulpje is verantwoordelijk voor het schoonhouden en opruimen van de kamers in de herberg, echter, ze maakt meer stuk dan ze goed doet, vooral tot grote ergernis van de arrogante herberggast Amelie. Het is voor Kim behoorlijk schrikken als alledrie de uitgenodigde heren verschijnen. Kim houdt de schijn op en vertelt hen, zonder dat ze iets van elkaar weten, dat zij met hen geschreven heeft; zij moeten er nu zelf voor zorgen dat haar moeder op hen valt. De mannen lijken te beginnen met hun versiertrucs. Echter, één van de heren is daar helemaal niet mee bezig en gebruikt Kim’s gastvrijheid om de herberg ten gronde te helpen.

Drie 'charmante dames' (Martien Blom, Bram Owel en Ed den Brave) en Kim (Anke Steffers) van de Woubrugse Amateur Toneelvereniging

 
Korte dialoog
 
...
 
 
Het is de volgende dag, nog vrij vroeg in de morgen. Magda heeft een keukenschort om, staat op een keukentrap en schrobt de muren flink. Machiel zit op een stoel aan een tafeltje met zijn voet op een andere stoel. Hij leest een boek.
 
MAGDA: Hoe is het met je voet?
MACHIEL: (kijkt op) Oh, gaat wel hoor.
MAGDA: Niet al te slecht geslapen?
MACHIEL: Nee, ging goed.
MAGDA: Ik heb ook zo lekker geslapen. ’t Is toch wel lang geleden dat ik in een normaal bed lag.
MACHIEL: Gaat u binnenkort weer naar huis?
MAGDA: Welk huis?
MACHIEL: Uw huis in Nederland?
MAGDA: Nee, ik heb geen huis. Ik heb alles verkocht toen ik op wereldreis ging. Anders kon ik het allemaal nooit betalen. Vooral niet, omdat de geldmeter blijft doorlopen, ook als je niet thuis     bent.
MACHIEL: Vindt u dat niet erg?
MAGDA: In het begin wel. Maar nu niet meer. Ik ben gewend aan het trekkersbestaan.
 
Tussen de overlapping verschijnen plots drie opgetutte dames. Het zijn Joris, Max en Koen verkleed als vrouw. Ze doen super overdreven wijverig.
 
JORIS: (met hoge stem) Dag iedereen! Hier zijn Pien, Fien en Mien. Wij zijn op zoek naar Herberg de Blauwe Maan. Zijn we hier goed?
MACHIEL: (kijkt de dames erg afkeurend aan) Eh ja…
MAX: Mooi zo.
JORIS: Engelachtig mooi.
KOEN: Ja, machtig prachtig.
JORIS: Wij willen graag een kamer huren. Is er nog wat ruimte?
MACHIEL: Ik haal wel even iemand voor u op. (staat gewoon op, denkt dan plots aan zijn enkel en gaat kreunend weer zitten) Mevrouw van Kolk. Wilt u alstublieft Kim of mijn moeder even halen?
MAGDA: Och ja, natuurlijk. Jij moet rusten. (komt van keukentrapje af en gaat af naar bar)
JORIS: Wat een enig herbergje heeft u hier. Woont u ook hier?
MACHIEL: Ja, ik woon hier.
JORIS: Ik kan wel jaloers op je worden.
MAX: (ook met hoge stem) Ja, inderdaad.
KOEN: (zacht en met eigen stem) Oh, deze hakschoenen zijn echt vreselijk. (krijgt duw van Max)
JORIS: ’t Is hier zeker altijd goed weer?
MACHIEL: Het meeste van de tijd wel, ja.
JORIS: (met hoofdknik richting zijn voet) Wat mankeer je, jochie?
MACHIEL: Oh, ik ben gestruikeld.
JORIS: Wat vreselijk spijtig.
 
Kim komt op vanuit de bar. Machiel staat voorzichtig op en verdwijnt hinkelend naar de bar.
 
MAX: (zacht met mannenstem) Daar gaan we. (krijgt een stoot van Joris)
JORIS: Goedendag jongedame. Wij zouden graag een kamer huren. Is er nog iets vrij?
KIM: Nou ja, eigenlijk nog maar één.
MAX: Dolletjes, dan gaan we met z’n drieën in één kamer.
KOEN: Gezellig zeg.
KIM: Dat zal wel betekenen dat er twee van jullie op een matrasje op de grond moeten slapen.
JORIS: Geen enkel probleem.
KOEN: Daar hebben we inderdaad geen problemen mee.
KIM: Gaat u eerst even zitten. Kan ik iets voor jullie inschenken?
JORIS: Erg graag. Een mineraalwater graag.
MAX: Voor mij een ice tea.
KOEN: Ik lust wel een biertje. (krijgt een trap onder de tafel van zowel Max als Joris en schiet hierdoor een stukje overeind)
KIM: Ik breng het u zo. (af naar bar)
JORIS: (met normale stem) Sukkel, je gaat toch geen biertje bestellen?
KOEN: Waarom niet? Vrouwen lusten ook best een tappie.
MAX: Ben je niet zenuwachtig?
KOEN: Jawel, maar ik zit meer met die schoenen. Dat vrouwen dat overleven. Vreselijk gewoon.
JORIS: (met hoge stem) Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden.
MAX: Zodadelijk gaan we het al tegen haar zeggen, hè?
JORIS: Ja, we gaan alles in geuren en kleuren vertellen. Voel je een wijf, dan komt het wel goed.
KOEN: Ik ben erg slecht in toneelspelen. Dat je dat weet.
JORIS: Iedere gek kan toch voor vrouw doorgaan. Alles prachtig vinden, baby’tjes schattig vinden, druk met je uiterlijk zijn. Zo gepiept. We hebben de tekst ingestudeerd. Er kan niks misgaan.
 
Kim komt terug met een dienblad en geeft de ‘dames’ allen hun drankje. Koen spreekt zijn ingestudeerde rol erg oplezend en slecht spelend op.
 
JORIS: Kind, kom er eens even bij zitten.
MAX: We willen je namelijk wat vragen.
KOEN: Het gaat over drie heren die hier in de herberg verblijven.
JORIS: Zijn die er nog?
KIM: Het hangt er vanaf wie u bedoelt.
MAX: Ik heb het over Joris.
JORIS: Ik over Koen.
KOEN: En ik bedoel Max.
KIM: Waar kennen jullie deze heren van?
JORIS: Het zijn ze. Ze hebben niet gelogen. Oh, wat heerlijk.
KIM: Ik kan u niet helemaal volgen.
MAX: Gisteravond zijn wij al aangekomen. Toen zijn we naar die discotheek in de stad geweest en hebben de hele avond met deze kerels gedanst.
KOEN: Ze waren zo gul en aardig.
KIM: Oh… wat fijn voor u.
MAX: Alstublieft, laat ons niet langer in spanning. Roep ze voor ons.
KOEN: We hebben hier namelijk afgesproken met ze.
KIM: Ik heb ze vanmorgen nog niet gezien. (Maartje komt op door de rechtse deur) Maartje, heb jij meneer Verstraaten, meneer Witwasser en meneer Wester vanmorgen al gezien?
MAARTJE: Sorry, ik ben niet zo goed met namen.
KIM: Die mannen die elk een eigen kamer hebben. Die drie naast elkaar.
MAARTJE: Nee, nog niet gezien.
JORIS: Oh, die boefjes liggen nog te slapen.
MAARTJE: Moet ik ze even wakker maken?
KIM: Nee! Nee, dat hoeft niet. (Maartje blijft staan) Ga maar weer verder met waar je mee bezig was.
MAARTJE: Nou, er is nog niet echt iemand wakker.
KIM: Kamer 7 wordt vandaag bezet. Zou je die klaar willen maken?
MAARTJE: Maar er stond niets in de agenda, zei mevrouw van der Vlught.
KIM: Klopt, maar deze dames willen er graag in.
MAARTJE: Allemaal?
KIM: Ja, met z’n drieën.
MAARTJE: Maar mevrouw, dat past toch nooit?
JORIS: We zullen er toch niet zoveel zijn.
MAARTJE: Het eiland is inderdaad erg mooi om te bekijken, zegt altijd iedereen die hier komt.
JORIS: Nou, ik denk dat we weinig van het eiland zullen zien. We hebben het druk met andere ‘belangrijke’ zaken.
MAARTJE: Oh, u bent hier op zakenreis?
KIM: Maartje, sop hem maar even lekker.
MAARTJE: Wie?
KIM: Kamer 7. Voor deze dames.
MAARTJE: Oh ja, natuurlijk. (af door rechtse deur)
MAX: Oh, ik kan niet wachten tot ik die stoere Joris weer in mijn armen kan sluiten. We hebben gisteren zo innig gezoend.
KOEN: Max en ik hebben elkaar overal gestreeld. Heerlijk gewoon.
JORIS: Bij mij vergeleken hebben jullie je nog netjes gedragen. Wat is die Koen een ster in bed, zeg. (Doordat Kim zich verslikt en ongemakkelijk hoest, valt het haar niet op, dat Koen een vies gezicht trekt)
KIM: Jullie redden je wel even?
JORIS: Natuurlijk jongedame. Ga lekker door met je ding. (Kim gaat moeilijk kijkend af via de deur naar de bar – weer met eigen stem) Wow, wat is dit heerlijk. Dat gezicht…
MAX: Ik vind het wel een soort van zielig voor haar. Ze is hartstikke aardig en ze had nooit gedacht dat zoveel mannen geïnteresseerd zouden zijn in haar moeder.
KOEN: (staat op, kijkt direct moeilijk) Ik ga me vast omkleden.
JORIS: Ik kan haast niet wachten op onze volgende honkslag.
MAX: We gaan toch voor een homerun?
JORIS: Kijk, een man die er verstand van heeft.
 
De drie ‘dames’ gaan lachend, maar wel moeilijk lopend door de hakken af via de rechtse deur.
Noa komt enthousiast oprennen via de overlapping. Ze kijkt beteuterd als ze Machiel niet ziet. Ze gaat daarom de bar in. De rechterdeur gaat open en Amelie komt in vol outfit en keurig gekamd op. Ze rekt en strekt zich uit.
 
AMELIE: Wat heb ik heerlijk geslapen. Wat een heerlijk leventje hier.
 
Senna komt op met een emmer en een doek.
 
SENNA: Ah, goedemorgen mevrouw Zandstra. Vannacht geen kwade schoonmaaksters aan uw bed gehad?
AMELIE: Nee, ik heb heerlijk geslapen en ik heb een flinke fooi op het nachtkastje neergelegd voor als Maartje mijn kamer opruimt en schoonmaakt.
SENNA: Het is een schat, hè?
AMELIE: Ja, een dommig gansje, maar een schat. En wat fantastisch dat ze zoveel werkt om haar ouders te onderhouden.
SENNA: Ik heb bij haar niet voor niks zo vaak over mijn hart gestreken. Zo’n meisje stuur je gewoon niet weg.
 
Maartje komt oprennen vanuit de rechtse deur. Ze heeft in haar ene hand een stoelpoot vast. Haar andere hand houdt ze op haar rug.
 
MAARTJE: Ehm mevrouw… ik heb een probleem. Ik was alvast naar kamer 1 gegaan, want mevrouw Zandstra was even weg en ik wilde haar kamer graag mooi maken, maar toen… (houdt stoelpoot omhoog) Ik tilde de stoel bij de spiegel op en zette hem even op de kast om even te kunnen stofzuigen en toen viel ‘ie op de grond.
AMELIE: Kind, het geeft niet. Zulke dingen gebeuren.
SENNA: Machiel komt straks terug, dan zal hij het maken.
MAARTJE: Maar ik heb nog een probleem.
SENNA: (toch wat voorzichtig) En dat is?
MAARTJE: (houdt wat stukjes porselein vast) Hij viel op dit bakje.
AMELIE: (zwaar geschrokken) Mijn sieradenkistje. (nog even paniekerig, dan dol van kwaadheid) Lomp wicht! Onhandige kluns.
MAARTJE: Maar er zit een klein goed kantje aan.
AMELIE: (probeert zich te beheersen) Wat mag dat dan wel niet zijn?
MAARTJE: Van de sieraden is alleen het venstertje stuk van dat ene ding met die foto erin.
AMELIE: Mijn medaillon. Gekregen van mijn allerliefste Frits. Oh, ik kan je wel. (loopt met moordneigingen richting Maartje die terugdeinst)
SENNA: Amelie, het ging echt per ongeluk. Dat weet ik zeker.
MAARTJE: (zielig) Ik wilde uw kamertje zo lekker schoonmaken. Speciaal voor u.
AMELIE: (draait zich om en zucht drie keer diep in) Dat weet ik. En dat waardeer ik zeer. Toch zal ik het op prijs stellen als je mijn kamer voortaan laat voor wat hij is.
MAARTJE: Het spijt me echt.
SENNA: Maartje, neem maar even pauze. Drink lekker een kopje thee in de bar.
MAARTJE: Ik zal u een dag van mijn salaris geven. Dan kunt u een nieuw kistje kopen.
AMELIE: Och nee… kind, geld speelt hier geen rol. Ga dat kopje thee maar lekker drinken.
MAARTJE: (valt op haar knieën voor Amelie op de grond en kust haar voeten) Oh mevrouw Zandman, ik ben u eeuwig dankbaar.
AMELIE: Weet ik. Ga maar!
 
Maartje loopt met een stralende lach af door de bardeur.
 
SENNA: Aardig van je dat je je in kon houden.
AMELIE: (zucht nogmaals) Ik ben vergevingsgezind. Geen heks. Ik ben vreselijk aardig.
SENNA: Hou dat vast! (af door linkse deur – Amelie gaat af door de rechtse deur)
 
...

 


Het is niet wat het lijkt (6 dames, 4 heren)
© 2005
 
5 keer door een vereniging opgevoerd


Het verhaal
 
Deze zotte klucht vindt zijn kracht in misopvattingen, misleidingen en communicatiestoornissen, waardoor vele spelers niet eens van elkaar weten wie ze nu eigenlijk zijn. De vrouw des huizes Esmeralda heeft als grootste droom dat haar tienerdochter wordt als zij: Elegant, van stand, beleefd en met alle kennis van de etiquette; haar man denkt daar echter heel anders over. Ook butler Frederik wil de dochter des huizes Kim graag beschermen tegen de vele plannen die haar moeder voor haar maakt. Zo ook de actie van Esmeralda om een nanny in te huren om Kim meer discipline bij te brengen. Vooral als er door een, zo lijkt het, miscommunicatie zelfs twee verschillende nanny’s verschijnen; elk met hun eigen aanpak. Maar de butler is ook verantwoordelijk voor het in orde maken van de vele vertrekken, zodat neef Koen en de nanny’s een goed onderkomen krijgen; helaas is de ingehuurde loodgieter Jos, aangedragen door de naïeve dienstmeid Rachel, een enorme kluns en verandert het huis steeds verder in een ravage. Ook moet hij Kims geheime uitgaansactie voor haar ouders verborgen houden, wat bemoeilijkt wordt door een ongelukje dat Kim had bij de discotheek. Verder heeft hij het druk met het verpesten van het leven van de trieste secretaresse Jorien, die een te groot oogje heeft op haar baas en is hij vervolgens ook nog degene die neef Koen, die zeker niet aan de eisen van Esmeralda zal voldoen, voor Esmeralda verborgen moet houden. En als laatste komt erbij dat Esmeralda haar man keer op keer in zeer innige omhelzingen aantreft met allerlei dames, waardoor ze bij hem weg dreigt te gaan. Hoe Frederik ook baalt van haar verkeerde opvoeding, dit mag niet gebeuren. De arme butler heeft wel erg veel last op zijn schouders te dragen. Als alle bewoners en gasten dan ook nog eens allen hetzelfde plannetje hebben gesmeed om ieder voor zich de mensen uit het huis te jagen, die ze weg willen hebben, wordt de situatie wel erg verwarrend en kan het eigenlijk voor niemand meer goed aflopen.
 
 
Rachel (Anke Steffers) en Frederik (Martien Blom) van de Woubrugse Amateur Toneelvereniging


Korte dialoog
 
...
 
Jos komt op door de rechterdeur. Zeiknat. Hij druipt aan alle kanten.
 
KARIN: (wat geschrokken) Wie bent u?
JOS: Ik heb een probleem, geloof ik.
KARIN: Ja, dat heeft u inderdaad. U bent namelijk op heterdaad betrapt. Ik zal direct de politie inlichten.
JOS: Mevrouw, ik ben hier om kranen te maken. Verder voor niks.
KARIN: Pardon?
JOS: Er komt een logeetje en ik moet daarom een kraan maken. Maar daarom heb ik nu een probleem.
KARIN: Man, wat klets je?
JOS: Het is een beetje misgegaan.
KARIN: Wat een pech, hè! Dan kom je zo makkelijk binnen, geld en sieraden voor het oprapen en dan staat er plots een dame voor je neus met een bruine band in karate. Ja, dan is het inderdaad misgegaan.
JOS: Mens, wat zwets je nou? Ik repareer alleen de kraan.
KARIN: Dat heb je nou al tien keer gezegd. Maar die smoes is zwak. Heel erg zwak zelfs.
JOS: Mevrouw, twee dingen. Ik heb pas drie keer gezegd dat ik een kraan moet maken en ten tweede, het is geen smoes. Vraag maar aan mijn nichtje Rachel.
KARIN: Je hebt dus ook nog een handlanger. Hmm… (pakt notitieblokje uit haar voorzakje) Rachel, die staat genoteerd.
JOS: Weet u toevallig ook waar ik haar vinden kan? Ik moet haar maar even melden dat het een beetje is misgegaan.
KARIN: Ben daar gek. Als ik jou ga helpen, ben ik medeplichtig.
JOS: Medeplichtig? Aan het repareren van een kraan? Ja, dat moet vreselijk zijn… Dat blijft je de rest van je leven achtervolgen.
KARIN: O.k. een andere vraag dan. Hoe kom je zo nat? Het regent buiten, kom je daar toevallig vandaan?
JOS: Hoe ziet u dat, mevrouw? Ik heb toch geen etiket op mijn voorhoofd staan dat ik een zwerver ben?
KARIN: Ja dus. (schrijft weer)
JOS: Mens, wat ben je toch aan het schrijven. Maak er een roman van. Verdien miljoenen euro’s met zwetsverhalen. Maar help me nu eerst liever mee met het vinden van Rachel. Zodadelijk is de waterschade zo groot dat de muizen in de kelder een zwembad kunnen beginnen.
KARIN: (springt op de stoel) Muizen? Waar zijn er muizen? Ik heb een gruwelijke hekel aan muizen.
JOS: Oh, ik haal d’r wel effe één voor u op. Ben zo terug. (loopt richting rechterdeur)
KARIN: Meneer, u laat dat, hoor! Hoort u mij! Geen muizen in mijn buurt.
JOS: Ah toe, dan kunnen zij samen met jou medeplichtig zijn aan kranen maken. (af door rechterdeur)
KARIN: Ik moet hier weg. Ik moet hier heel snel vandaan! (stapt van de stoel af) De mensen hier in huis sporen nog minder dan ik al dacht.
 
Jorien op door achterste deur. Ze ziet Karin en kijkt wantrouwend.
 
JORIEN: (zacht) Daar hebben we vast de dame waarover mevrouw het had. Mevrouw, wat doet u hier nog?
KARIN: Pardon?
JORIEN: Volgens mij is meneer van Zanten tot Overloom duidelijk genoeg geweest. Hij heeft u niet voor niets (met nadruk) ‘gedumpt’.
KARIN: Maar… Nou ja, wat beweert u nou?
JORIEN: Ik kan het goed begrijpen, hoor. Thomas is de droomman voor iedereen. Al besteedt hij geen centje aandacht aan je, toch hoop je dat hij bijdraait en je alsnog ziet staan.
KARIN: Ik weet echt niet waar u het over heeft.
JORIEN: Geeft niet. Maar ik zou, als ik u was, toch maar vertrekken. Mevrouw van Zanten tot Overloom is niet zo blij met u.
KARIN: Mens, ik heb die hele vrouw nog steeds niet gezien. Ik zoek haar nu wel al uren, maar vinden kan ik haar niet.
JORIEN: Waarom blijft u de schijn ophouden? U hebt met haar gesproken. Daarstraks. Haar heeft u verteld dat Thomas u heeft laten staan. (met vriendelijke lach) Maar het geeft niet, hoor. Kom, ik zal u even uitlaten. Het is voor iedereen het beste dat u afstand neemt.
KARIN: Mevrouw, ik ben hier op uitnodiging gekomen. Mevrouw van Zanten tot Overloom heeft mij aangenomen als opvoedkundige van haar dochter Kim.
JORIEN: Verzin er nog een smoes bij, joh. U zou een boek moeten schrijven met een smoezen top 1000.
KARIN: Alweer een boek. Zijn jullie zo rijk geworden door boeken te schrijven, ofzo?
JORIEN: Mevrouw Irritantio. De opvoedkundige is daarstraks al aangekomen. Het lijkt me wel heel onwaarschijnlijk dat ze twee mensen op hetzelfde moment laten komen.
KARIN: U moet die kerel van net hebben. Die kerel in die slobbertrui. Met dat haar helemaal door de war en met die snor (*hangt van de speler af). Die kerel is niet te vertrouwen.
JORIEN: (geduld raakt op) Als u nu niet snel vertrekt, bel ik de bewaking. Hele sterke en brede mannen zijn dat.
KARIN: Ik ben nog nooit zo beledigd! (stapt kordaat richting rechterdeur) Mevrouw, aju! (af door rechterdeur)
JORIEN: Verkeerde deur. Ja, kom maar weer terug. (Karin weer op - sarcastisch) Groot huis, hè? Je kunt er zo makkelijk verdwalen. En dan al die deuren!
KARIN: Nee, het is lekker hier. Wat een rothuishouden! (af door linkerdeur)
JORIEN: (wrijft in handen) Goed, weer iemand uitgeschakeld. Thomasje, nog maar een paar stappen en je bent van mij. (af door achterste deur)
 
Rachel en Frederik komen op door de rechterdeur. Ze druipen beiden van het water.
 
FREDERIK: Het is inderdaad duidelijk een man. Maar wel een klungel zeg. Rachel, je hebt alleen gezegd dat hij traag was, niet dat hij de boel zou gaan slopen.
RACHEL: Ja sorry. Het kan toch misgaan? Dat overkomt de beste monteur nog.
FREDERIK: ‘Loodgieter’. Als iemand met een hamer op de afvoerbuis gaat slaan en daarbij de hakkant gebruikt, lijkt het me niet echt een professional.
RACHEL: Hij dacht dat er een verstopping in de kraan zat en wilde deze weg krijgen.
FREDERIK: Met een hamer?
RACHEL: Misschien was de drank nog niet helemaal weg uit zijn lichaam. (Frederik kijkt bozig) Ja, hij is zwerver. Die drinken altijd. Weet ik veel waarom.
FREDERIK: Je zei dat hij een goeie was. Het is daarbinnen een zooitje. Overal op de grond ligt water en het spuit er ook nog eens aan alle kanten uit.
RACHEL: Ik ga handdoeken en emmers halen.
FREDERIK: Dat lost het vast allemaal op. Goeie.
RACHEL: Het is zo’n schat.
FREDERIK: Dronken mensen zijn vaak erg aardig. Maar vaak ook ontoerekeningsvatbaar en onverantwoordelijk. Dit wijst er maar weer op.
RACHEL: (niet reagerend op de moeilijke zinnen van Frederik) Vroeger al, toen we heel klein waren. Dan mochten we op zijn schoot en dan deed hij zo’n liedje. En dan zei hij aan het eind ‘gat in de weg’ en dan liet hij je door z’n benen zakken. Dat was zo lachen altijd.
FREDERIK: Ik ga de hoofdkraan dichtdraaien. Zeg niets tegen mevrouw of meneer, hè! Jee, als mevrouw maar niet toevallig nog in bad moet… (af door linkerdeur)
RACHEL: (moedeloos) Oom Jos. Waarom? (af door achterste deur)
 
Karin wordt hardhandig door Koen naar binnen gesleurd. Ze sputtert flink tegen.
 
KARIN: Jongeman, waar haal jij het lef vandaan om mij zo grof te behandelen.
KOEN: U sloop rond het huis. Heel verdacht, is het niet?
KARIN: Ik zocht mevrouw van Zanten tot Overloom.
KOEN: Nog nooit gehoord van aanbellen en gewoon naar haar vragen? Vertel, wat heb je met mijn tas gedaan?
KARIN: Met jouw tas? Wat moet ik met jouw tas?
KOEN: Zo reageer je alleen maar, om je zelf onschuldig te laten lijken.
KARIN: Ze hebben toch wel een pinguïn hier in huis? Zulke mensen ruimen dat soort troep altijd op.
KOEN: Troep? Mijn tas is geen troep, hoor!
 
Esmeralda komt binnen door de achterste deur.
 
ESMERALDA: Wat een kwijl. Net doen of er niets aan de hand is. (ziet Karin en Koen – schiet direct weer in haar rol als paardenhulpje) Mevrouw, ben u nou nog steeds op zoek naar die Thomas?
KARIN: Ah. Kijk! Daar is het bewijs. Ze weet dat ik hier hoor. Mevrouw, u weet dat ik geen inbreker ben, hè?
ESMERALDA: Dat weet ik hele gaar niet. Maar ik sprak u daarstraks en toen leek u niet echt op een inbreker. (Rachel wil opkomen door de achterste deur. Als ze Esmeralda ziet, trekt ze haar hoofd snel weer terug)
KARIN: Zie je wel?
KOEN: Ze zegt dat u er niet op leek… Dat zegt nog niks. Achter onschuldige gezichten gaat wel vaker een duiveltje schuil.
ESMERALDA: Ik ken u inderdaad verder helemaal niet, mevrouw. En jou ken ik ook niet, knul. Wie ben jij?
KOEN: Ik ben de nieuwe boodschappenjongen. De naam is Karel.
ESMERALDA: Ah, ik ben (steekt hand uit) Jo, de paardenverzorgster. (wat zachter tot Karin) Hé, ik heb wel iets gehoord over de heer des huizes. Die moet een minnares hebben, of zoiets. Ja, zoiets heb ik gehoord. En die minnares is vanavond betrapt door de vrouw des huizes.
KARIN: (geen idee hebbend) Wat? Denkt u dat ik dat ben?
KOEN: Oh ja, die Jorien, hè? Wat een mens is dat trouwens.
ESMERALDA: Wat zei je daar, jongeheer?
KOEN: Die Jorien. Ja, sorry hoor. Maar dat mens vind ik echt een beetje een aanstellerig type.
ESMERALDA: (vergeet accent - fel) Wat weet je van haar?
KOEN: (neemt afstand) Ehm… nou, eigenlijk haast niks. Ja, ze zei iets over een naakte kerel en ze was bang van die kerel en toen moest Thomas, ehm… ik bedoel, de heer des huizes, haar stevig vasthouden, ofzo. En die kerel was een inbreker, ofzo.
KARIN: Zie je nou wel, het was een kerel.
ESMERALDA: Dus toch… (Frederik wil opkomen door de linkerdeur, maar trekt zichzelf snel weer terug bij het zien van Esmeralda)
KARIN: Precies. Wat zei ik je, jochie? Je haalt me door de war met je praatjes over een naakte kerel. (ziet het in) Een naakte kerel? Gatsie. Ik haat potloodventers. Bij zulk soort heren moeten ze de ‘piep’ er direct afsnijden.
 
Esmeralda loopt afwezig af door rechterdeur. Karin en Koen kijken haar een beetje vragend na.
 
...
 

Als je je botten maar niet breekt (5 dames, 3 heren)

© 2005

5 keer door een toneelvereniging opgevoerd


Het verhaal

In deze klucht, zien we vader Joris die in de menopauze zit en zijn jeugd over wil doen. Hij is daardoor wat seksistisch en gaat op motorrijles.
De les zit eraan te komen, maar Joris wacht nog op de helm die hij besteld heeft. Eindelijk komt Flip Filipsen langs met een pakje. Echter, hier zit geen helm in, maar een decolleté. Het decolleté blijkt van de overbuurvrouw Joyce te zijn; een stijve dame met een chique poedel. Joris gaat direct van alles achter de vrouw zoeken en begluurt haar daarom met zijn verrekijker. Helaas ziet zij hem gluren en ze komt op hoge hakken verhaal halen.Toos een wat maffe buurtbewoonster, komt langs met de vreselijke mededeling dat er een gevaarlijke slang is ontsnapt uit de dierentuin. Judith moet mee zoeken, waar ze stevig van baalt. Ze vinden de slang niet op tijd en moeten toezien hoe de slang het hondje van Joyce doodt.
Suzanne, de motorinstructrice neemt Joris mee voor zijn eerste les. Dit loopt echter verkeerd af, hij valt, maar mag dit thuis niet teveel laten blijken, omdat zijn vrouw Fien niet mag weten van de motorrijles.Ondertussen komt Flip voortdurend langs met verkeerde pakjes en wordt hij in de gebeurtenissen meegesleurd.
Als dan ook nog eens Joyce in paniek binnenkomt met de mededeling dat zij Suzanne per ongeluk heeft aangereden en ze Joris dwingt Suzanne in huis te nemen, mag niet bekend worden wie Suzanne werkelijk is. Suzanne lijdt door de val aan geheugenverlies. Joris en Judith maken hier misbruik van en praten haar aan dat ze de vriend van Judith is.Maar lang kan dit niet volgehouden worden, waarna Fien zowel haar man als Judith eens een goed lesje zal leren.Daarbij komt dat Toos door haar schuldgevoel een nieuw hondje heeft gekocht voor Joyce, maar of Joyce daar nu werkelijk zo blij mee is.


Korte dialoog
 
Judith loopt heen en weer door de huiskamer; ze is duidelijk nerveus. Vanachter de coulissen (vanuit slaapkamer) praat haar vader luid met haar.
 
JORIS: Bijna Juud, nog even geduld. (duidelijk hoorbaar dat hij perst en zijn adem probeert in te houden) Ik krijg hem er net niet overheen. Kom op, jongen. Beetje uitrekken nog.
JUDITH: Je hoeft niet, hoor. Je hoeft jezelf niet zo te pijnigen. Niet speciaal voor mij in ieder geval.
JORIS: Nee, wacht maar… Het lukt wel. Nog een beetje duwen en persen. Hij zit bijna. AU. Shit, wat knelt dat ding. Au, au… Kom op Joris, je kunt het aan. Wees een vent!
JUDITH: Laat het nou. Alsjeblieft. Die geluiden zijn echt goor.
JORIS: (met sexy stem) Oh, het staat zo sexy. (zoekend naar woorden) Zo… zo… goed. (moeilijk) Maar hij zit wel strak, zeg. Jemig de pemig, waarom doen mannen die dingen aan, zeg?
JUDITH: Je bent één van de weinigen. Geloof me!
JORIS: Maar jullie vallen er wel op. En ja, zeg zelf; het is volstrekt veilig. Wie gaat er nou tien minuten zitten wachten tot hij uit is? (komt op, loopt stijf en kijkt moeilijk)
JUDITH: Pap. Alsjeblieft zeg. Het ziet er niet uit. Vooral je buikje niet. Zo is het echt een vetblubber.
JORIS: Niets over mijn edele deel, jongedame. De vrouwtjes zijn daar vaak genoeg voor gevallen. Je kunt het gebruiken als kussentje. Ach, dat weet jij ook wel. Vroeger ging je er zo graag op liggen.
JUDITH: Maar nu niet meer. Zeker niet als jij die broek aan hebt.
JORIS: Dan heb je geluk, want ik kan er niet mee gaan zitten. Volgens mij scheur ik er dan in zijn geheel uit.
JUDITH: Dan doe je hem toch weer uit?
JORIS: (beetje boos) Judith, laat dat! (beetje zielig) Ik heb die broek nodig. Zonder die broek stel ik niets voor.
JUDITH: Ook zoiets. Waarom moet je nou zonodig dat motorrijbewijs gaan halen? Hoe vaak motorrijders niet ongezien geschept worden.
JORIS: Kind, dat is een doel in mijn leven. Een groot doel zelfs. Ik heb het altijd al gewild, maar je moeder hield me steeds tegen. Nog steeds trouwens, maar dit keer luister ik niet naar haar. Over een maandje rijd ik rond op een Harley Davidson.
JUDITH: Alsof je direct les krijgt op zo'n ding. Man, je krijgt zo'n saaie lesmotor. En geloof me, als je in een groepje les krijgt, is iedereen zeker dertig jaar jonger dan jij.
JORIS: Ik scheur ze d'r allemaal uit. Ze zullen nog op hun neus kijken.
JUDITH: Als je je botten maar niet breekt…
JORIS: Welnee, ik ben een verstandig man.
 
De bel gaat.
 
JORIS: Dat is voor mij. Ik heb een helm besteld. (wrijft in zijn handen) Oh, ik heb er zo'n zin in. Ik heb zo'n hele coole met van die rode scheurstrepen op de zijkant besteld.
 
Joris gaat vrolijk af. Judith zucht eens diep en gaat op de bank zitten.
 
JUDITH: Lekker hoor, zo'n pa in de overgang.
 
Joris komt binnen, gevolgd door Flip.
 
JORIS: (teleurgesteld) Het is een pakje voor jou of je moeder. Pak jij hem maar aan. (wil balend op een stoel zitten, maar kan zijn benen niet buigen - gaat daarom maar af naar de slaapkamer) Mocht er een pakje voor mij komen, Juud, roep me dan even!
FLIP: Eén vriendelijke goedendag mevrouw. De naam is Flip Filipsen. Ik ben gestuurd door 'Zend & Zo'. U had iets besteld.
JUDITH: Ehm… ik dacht het niet. Maar eh… wat is het?
FLIP: Mevrouw, wij kijken de pakjes niet na op inhoud. Er zijn klanten die hechten aan prievacy. Stel dat u een vibrator had besteld, dan is het raar als wij dat ook weten. Uw seksleven is geheel aan u; dat moet binnen de muren blijven, vindt u niet?
JUDITH: Juist ja… Goed, geef het dan maar hier.
FLIP: U moet even tekenen voor ontvangst, maar eerst het pakje in mijn bijzijn openmaken. Als u u het verkeerde artikel krijgt; dan kan ik het direct weer meenemen. Stel dat ik wegrijd op mijn brommertje en dat ik aankom bij 'Zend & Zo' en dat ze me dan zeggen: Mevrouw De Vries heeft gebeld; ze heeft het verkeerde pakketje ontvangen, dan moet ik weer helemaal terugkomen.
JUDITH: En mijn privacy dan?
FLIP: Ja, u krijgt van mij alle privacymogelijkheden. Ik zal me met mijn rug naar u toe draaien, dan kunt u rustig het doosje openmaken en kijken wat er in zit. Heeft u dit gedaan, dan kunt u mij vertellen of het goed is en dan vertrek ik gewoon weer. Met een handtekening natuurlijk? (draait zich al een kwartslag om)
JUDITH: Het is allemaal heel duidelijk. Ehm… het pakketje…
FLIP: Oh natuurlijk. (met zijn ene hand voor zijn ogen, draait Flip zich een stukje om en geeft Judith het pakje) Mevrouw, nog één tip. Pak het voorzichtig uit. Het kan zo maar breekbaar zijn of misschien wel een kip met de vogelziekte. (alsof hij heel slim is) Ja, tegenwoordig weet je het niet, hoor. Er krijgen ook mensen kogelbrieven en brieven met chemische stoffen. Uiterst voorzichtig handelen is belangrijk, vindt u ook niet?
JUDITH: Meneer Filipsen, dat zal ik zeker doen.
 
Judith zet het pakje op tafel en begint hem voorzichtig open te maken. Ze doet het uiterst nauwkeurig. Op haar gezicht komt een verbaasde blik, waarna ze een decolleté uit het doosje pakt en omhoog houdt.
 
JUDITH: (licht stotterend) Eh… meneer Filipsen, ik denk dat er een vergissing is gemaakt. Dit heb ik niet besteld. En mijn moeder al zeker niet.
FLIP: (valt op knieën, nog steeds met zijn rug naar Judith toe - slaat met zijn handen op zijn hoofd - is gebroken) NEE! Zeg me dat het niet waar is. Vertelt u mij alstublieft niet dat ik het verkeerde pakje heb meegenomen! Ik kan me geen fouten permatteren.
JUDITH: (geschrokken) Rustig maar! Ehm, ik vraag m'n vader wel of hij het misschien besteld heeft.
FLIP: (kordaat) Onmogelijk! Op het pakketje en op de pakbon staat als geadresseerde 'mevrouw De Vries'. Het is dus van u of van uw moeder.
JUDITH: (wat gegeneerd) Mijn vader kan nog wel eens anders doen dan hij zou moeten. Wacht maar. Ik ben zo terug! (af naar slaapkamer)
 
Flip loopt ijsberend heen en weer, nog steeds balend.
 
FLIP: Flip, Flip, Flip. Je gaat me toch niet vertellen dat je een order verkeerd hebt afgeleverd? Dat is niet jouw stijl. Zo ben jij niet. Je bent op het juiste adres. Die dame schaamt zich gewoon voor de inhoud van het pakje en doet maar alsof. Ze wil er niet voor uitkomen dat ze een rare hobby of iets heeft. Het ligt niet aan jou. (Judith weer op)
JUDITH: Het spijt me, mijn vader heeft hem ook niet besteld. Het zal toch op een verkeerd adres zijn aangekomen misschien.
FLIP: (draait zich wat driftig om) U bent toch mevrouw De Vries?
JUDITH: Ja, één van de velen.
FLIP: Wat bedoelt u daarmee?
JUDITH: Er zijn erg veel 'de Vriezen' in Nederland.
FLIP: Friezen wonen alleen in Friesland. Vergist u zich daar niet in. Alle andere inwoners van Nederland zijn Hollanders. Spreek een Fries ook nooit aan met Hollander; hij timmert je zo de bek dicht. Neem dat van mij aan.
JUDITH: (loopt naar het pakje toe - bekijkt het) Ah, ik zie het al. Kijk, meneer Filipsen. Hier staat het: Mevrouw de Vries, Overbeekstraat 33. Dat is de straat aan de overkant.
FLIP: Maar ik heb op het naamplaatje bij uw deur gekeken.
JUDITH: Ik ben ook wel een mevrouw de Vries, maar u staat hier in de Van Goghstraat. De Overbeekstraat zit direct aan de andere kant van de straat. (wijst) Daar woont ook een De Vries.
FLIP: (slaat zich weer tegen het hoofd) Flip, sukkel! Je hebt het verkeerde adres genomen. Laat het de baas maar niet weten. Hij stuurt je zo de laan uit.
JUDITH: Ik zal wel even plakband halen; dan kan het pakje netjes worden afgeleverd bij de overbuurvrouw. (plots ondeugend) Zo Joyce, wat ben je van plan?
FLIP: Zie ik eruit als een vrouw? Mijn naam is Flip, mevrouw de Vries. Maar goed, vergissen is menselijk. (wacht even) Laat dat plakband maar. Ik mag het pakje zo niet afleveren. Dan heb ik privacywetten overtreden. Vindt de baas niet accetpabel. Geeft u mij het doosje maar? (Judith geeft het doosje terug) Oh, en één ding… zeg dit tegen niemand! Niemand mag horen van deze enorme fout. Alstublieft, ik vraag het u.
JUDITH: Natuurlijk Flip. Ik houd mijn mond.
FLIP: En eh… nu het pakje toch niet voor u was… ehm… wat zat er… eh… in?
JUDITH: (drukt de doosflappen nog iets strakker naar beneden) Flipje, Flipje, als jouw baas hoort dat je daarom gevraagd hebt en je de inhoud van het pakje dus kent, dan heb je big troubles.
FLIP: Ik spreek geen woord Engels, mevrouw. Mijn vader vond het onzin dat ik dat leerde. Hij zei: Flip, jij bent net als je vader. Jij wordt postbode of pakjesbezorger, gewoon lekker in het platte, natte Nederland. Engels is alleen maar een blok aan je been.
JUDITH: Ga nu maar snel! Anders vraagt je baas zich nog af waar zijn favoriete, goed functionerende Flippertje toch blijft.
FLIP: Mevrouw, u weet waar u het over hebt. Er moet gewerkt worden. U bent erg verstandig.
JUDITH: U kunt het wel vinden, hè?
FLIP: De heenweg is me ook gelukt. Nou ja, bijna dan. Verkeerde straat, maar goed… Ik ga d'r vandoor op m'n brommertje. (op speciale toon) Doeiii (af)
JUDITH: Jongen, je bent je naam meer dan waard. (lacht - dichter naar slaapkamerdeur) Pa, kom eens!
JORIS: (vanuit slaapkamer) Wat is er? Is m'n pakketje er?
JUDITH: Ehm… nee, maar ik heb wel iets anders… ehm… interessants.
JORIS: (komt op, nog steeds met leren broek, nog steeds raar lopend) Is de overbuurvrouw een hoerenhuis begonnen?
JUDITH: Huh? Hoe… hoe weet jij dat nou?
JORIS: Huh? Bedoel je dat…? Nou ja, ik zei maar wat. Maar, ik dacht het wel, hoor. Altijd al. Als ik dat wijffie zag lopen. In d'r chique bontjas met d'r mislukte kroeskop, dacht ik steeds weer; Er zit meer in die vrouw. Ze heeft vast een duistere kant. Weet je misschien hoeveel ze vraagt voor een goede beurt?
JUDITH: PAP! Gatver. Ieuw, ik zie jullie al liggen… Met die poedel ertussen, of nee, nog erger… met een likkende poedel ertussen… BAH!
JORIS: (met vieze stem) Zo'n lekker donserig beestje die je gezelschap houdt, tijdens de daad. Dat moet een vernieuwende ervaring zijn.
JUDITH: Pap, stop! Hou op! Je bent bijna zestig, man. Je lijkt wel een oud vies mannetje.
JORIS: Je begint er zelf over.
JUDITH: Nee, luister nou even… Joyce heeft een sexy decolleté besteld.
JORIS: Ik zei het je? Een hoertje!
JUDITH: Ja vast. Laat je fantasie je maar weer het hoofd op hol brengen. (wacht even) Maar zeg zelf, gewaagd voor die stijve tang.
JORIS: Ze heeft vast allerlei plannen. (krijgt een idee) Oh nee… ze heeft een nieuwe vlam. Een minnaar. Of ze is zelf een minnares. (verlekkerd) Dan maak ik ook een kans bij haar. Ik zie wel hoe ze altijd naar me kijkt. Met van die geile ogen.
JUDITH: Pap, wat zit jij vies in de overgang, zeg. Was je eindelijk van de puberteit af, begin je hier weer aan. Waarom woon ik hier nog?
 
...
 


 

Je moet er wat voor over hebben (4 dames, 2 heren)

© 2005

13 keer door een toneelvereniging opgevoerd


Het verhaal
 
In deze 'geestige' klucht draait het om de chaotische Veere die moeite heeft haar boekhouding op orde te houden. Op een dag krijgt ze een aangetekende brief van het Incassobureau waarin staat dat ze een huurachterstand heeft van vier maanden. Een afgevaardigde van het bureau Harry van der Berg, een deurwaarder, zal de volgende dag komen om de financiële kwestie met Veere door te nemen. Grote kans hierbij is, dat hij persoonlijke bezittingen zal innemen, omdat ze het gevraagde voorschot van 500 euro niet kan betalen. Veere en haar vriend Tom, weten dat ze niet onder de achterstallige betalingen uit kunnen komen en bedenken samen met dochter Amylaura, die zo dolgraag een puber wil zijn maar daarvoor een te leuke meid is, een plan om de man om de tuin te leiden. Daarvoor worden ook de zus van Veere 'Bente' en de buurvrouw Senna ingeschakeld. Het huis wordt omgebouwd tot een opvanghuis voor daklozen. Tom, Amylaura en Bente spelen daklozen die elk hun eigen verleden hebben.
Echter, Harry laat hij zich niet om de tuin leiden en gaat zorgen dat hij kan bewijzen dat alles maar vooropgezet spel is. Dit doet hij door zich ook als zwerver te verkleden en zo undercover te gaan. Even lijken Veere en Tom zich direct te verraden, maar gelukkig heeft Amylaura door dat er iets aan de zwerver niet in de haak is en kan zij ervoor zorgen dat het spel doorgespeeld wordt. Hun nieuwe plan is, om Harry zo bang te maken, dat hij zal verdwijnen en nooit meer terug zal komen. Maar of alles loopt zoals de toneelspelers gepland hebben…

 
Korte dialoog
 
Een decorverandering vindt plaats. De huiskamer moet wat weg gaan hebben van een ontspanningsruimte waar mensen samenkomen. Dus een tafel extra, stoelen eromheen, de bank tegen de linkerzijwand aangeschoven, tijdschriften, spelletjes in de kasten en op tafel, evt. bij een groot decor aan te vullen met een tafelspel. Veere loopt door de kamer heen en weer. Ze is duidelijk nerveus. Ze kijkt voortdurend op haar horloge en kijkt voortdurend naar de deur.
 
VEERE: Waar blijven ze nou toch? (wacht weer even) Ze hadden hier allang moeten zijn.
 
Weer een blik naar de deur. Amylaura komt binnen in wat strakke, goedkope kleding en heeft haar gezicht zo dik opgemaakt, dat ze er eigenlijk niet uitziet.
 
AMYLAURA: Eén dag mam. Nee, een uur maar. Ik ga niet lang zo rondlopen. Ik voel me net een hoer.
VEERE: Mooi, want dat stel je ook voor. Heb je al over een naam nagedacht?
AMYLAURA: Een naam? Waarom een naam?
VEERE: Je moet wel een beetje zo'n hoerennaam hebben. Amy, het moet allemaal echt lijken. Die meneer moet geen moment hoeven twijfelen.
AMYLAURA: O.k., een naam. Wat vind ik nou een mooie naam? (kijkt haar moeder aan) Hoe heette Nicole Kidman in Moulin Rouge ook alweer?
VEERE: Was het niet Constante?
AMYLAURA: Dat gelooft 'ie dus nooit. Een andere naam? Ehm… ik weet het, ik doe die muts uit Goede Tijden; Charlie. (knikt voldaan) Ja, coole naam. O.k. mam, ik ben Charlie.
VEERE: (steekt hand uit en schudt handen met Amylaura) Welkom Charlie.
AMYLAURA: (lacht hard) Nou ja, dit is echt te zot voor woorden. Maar wel stoer. Heb je Tom al gezien?
VEERE: Nee, maar ik ben reuze benieuwd hoe 'ie eruitziet.
AMYLAURA: En hoe laat kwam tante Bente?
VEERE: Ook zo.
AMYLAURA: Ik zie haar al helemaal voor me. Echt geweldig. (loopt richting keuken) Ik pak nog even wat drinken.
VEERE: Wel voorzichtig met die lippenstift, hè? Dat is er zo vanaf. Maar verder, inderdaad. Blijf gewoon doen of je hier thuis bent. En wel een beetje 'femme fatale zijn' hè?
AMYLAURA: (zucht) Goed, ik zal al mijn charmes in de strijd gooien. Maak je over mij maar geen zorgen. (af)
VEERE: Kom op, Tom. Binnen tien minuten kan die man op de stoep staan. (kijkt weer op horloge) Misschien zelfs eerder. (de bel gaat, Veere maakt bijna een sprong van schrik) Oh jee, daar is 'ie. (schudt kleding uit en strijkt het recht) Kom op, Veere. Je huisje hangt ervan af. (af door haldeur)
 
Amylaura komt binnen, bijna even gespannen als haar moeder. Ze gaat onderuit op de bank zitten en kijkt al wat uitdagender. Ze schiet al direct weer in de lach.
 
AMYLAURA: Jee, dit is echt niets voor mij. Goed, get a grip, Amy. Zet hem op, meid!
 
Veere komt binnen, gevolgd door een nette heer in pak.
 
VEERE: Meneer van der Berg, kom rustig verder. Wilt u even gaan zitten? Kan ik u wat te drinken inschenken?
HARRY: (erg vriendelijk en strak) Nou, een kopje koffie lijkt me wel wat.
VEERE: (wijzend op Amylaura) Let u maar niet teveel op haar, hoor. (wat zachter) En kom maar niet te dicht in haar buurt. (met mysterieuze stem) Ze heeft klauwen!
HARRY: (ongemakkelijk) Oh… goed. Dank u wel voor de waarschuwing.
 
Veere af. Harry gaat op de stoel zitten, die het verst bij Amylaura vandaan staat.
 
AMYLAURA: (staat op, loopt langzaam in Harry's richting) Dus u bent meneer van der Berg van het incassobureau?
HARRY: (staat op, met hoofdknik) Harry van der Berg, deurwaarder van incassobureau Zuidwest.
AMYLAURA: En u heeft plezier in uw werk?
HARRY: (schraapt keel) Ja hoor. Ik doe het al vele jaren.
AMYLAURA: Is het niet erg saai?
HARRY: Nee, juist heel afwisselend.
AMYLAURA: En dat je de persoonlijke spullen van mensen jat en ze soms zelfs op straat gooit, doet je niets.
HARRY: (rechtop zittend) Daar vergis jij je in, jongedame. (Amylaura kijkt wat fel, Harry zakt weer wat angstig terug op zijn stoel) Ik wil daarmee zeggen; ik zet mensen niet graag op straat. Daarom ben ik hier nu ook. Ik wil kijken of er naar een oplossing gezocht kan worden.
AMYLAURA: (met mysterieuze stem) Zoeken kan wel. Vinden is lastiger. (nog iets dichterbij) Bent u getrouwd, Harry van der Berg?
HARRY: Jazeker, met mijn vrouw Heidi.
AMYLAURA: (lacht hard) Heidi? Komt ze uit de bergen ofzo?
 
Veere komt binnen, Harry slaakt een zucht van verlichting. Amylaura neemt weer afstand en gaat op de bank liggen. Veere geeft hem de koffie aan.
 
VEERE: Heeft u er iets in, meneer?
HARRY: Ja, suiker graag. (ziet Veere weer weglopen, moet haar snel terughalen) Maar ik moet op de pondjes letten van mijn vrouw, dus laat maar. Ik drink het wel zwart.
VEERE: Heeft Charlie u niet lastiggevallen?
HARRY: Charlie?
AMYLAURA: Dat ben ik. Nee hoor, we hebben gewoon even lekker zitten praten. (met verleidelijke stem) Toch, meneer van der Berg?
HARRY: Precies.
VEERE: Ja, Charlie is niet echt het sociale type. Ik heb haar uit een portiek op straat moeten halen.
HARRY: Uit een portiek?
VEERE: (zacht) Ze praat er liever niet over. (nog zachter) Maar ze verkocht haar lichaam om aan geld te komen.
AMYLAURA: (boos) Hee, je houdt je mond over mij, hè! Niet iedereen hoeft te weten hoe een vervloekte jeugd ik heb gehad.
VEERE: Dat weet ik, Charlie. (laat lachje zien) Goed, u wilde het hebben over de huurachterstand.
HARRY: (maakt koffer open en haalt hier rapport uit) Klopt. (bladert)
 
Vanaf de gang is een lallend lied te horen. 'Er staat een paard op de gang' of een ander soort lalliedje. Tom komt binnen, amper herkenbaar. Amylaura moet vechten tegen een lach. Tom draagt jutenzakken en vieze kleding en heeft een fles drank vast. (wodka of jenever of iets anders wits). Aan zijn handen heeft hij gerafelde halve wanten. Hij praat met dubbele tong.
 
TOM: Hier bent ik dan weer. Ik kon d'r maar niet wegkomen. Wat een lekkere meisies liepen er over het marktplein zeg. Hee Veer, je hebt bezoek. (loopt waggelend naar Harry toe en steekt zijn hand uit, Harry pakt zijn hand niet) Gelijk heb u hoor. Ik ben niet schoon. Maar goed, de naam is Koos. Koos Zwerver. Nou ja, die achternaam is mijn beroep, zeg maar. (lacht)
VEERE: Een bakje koffie, Koos?
TOM: Daar zegt ik geen nee tegen. Heerlijk.
VEERE: (tot Harry) Ja, Koos komt vaak een bakje doen. Dan krijgt 'ie het weer een beetje warm van binnen. (af naar keuken)
TOM: Ja, die Veere is zo'n schat van een mens. Echt een engel. Als ik een nachtje wil komen slapen, omdat het buiten ijzig koud is, mag ik gewoon een bedje spreiden hierzo. En een happie eten, heb ze ook altijd wel warm voor me staan. (tot Amylaura) Ja toch, dot van me?
AMYLAURA: (met kwaad gezicht) Als je maar van me af blijft…
TOM: Kindje toch, je weet toch dat jij m'n favoriet bent. Jij, met je lekkere ronde billen en je knappe smoeltje. (verlekkerd) Hmm. Ik zou je op kennen vreten.
 
Amylaura geeft Tom een knal, mede doordat hij haar teveel in de lach laat schieten.
 
TOM: Lekker, ga door!
 
Amylaura staat op, terwijl ze haar hand voor haar mond slaat. Voor het publiek moet het duidelijk zijn dat ze keihard moet lachen. Ze verdwijnt heel snel de keuken in.
 
TOM: (slaat zichzelf tegen het hoofd) Och Tom, wat doe je nou toch weer? Maak je dat arme grietje weer aan het huilen? Stom van je. (tot Harry) Ja, ze is hoertje geweest, tegen d'r wil in, hoor. Zulke dingen mag je eigenlijk niet tegen d'r zeggen. Die worden 'r wel eens te veel.
HARRY: Ik begrijp het. (neerbuigend) En u bent… u zwerft over straat?
TOM: Heel goed gezien. Ja, ik bent een man van het vrije leven, van de natuur. Het is heerlijk om veel buiten te zijn. Jammer dat je moet eten en drinken enzo. Anders zou ik voor eeuwig en altijd buiten blijven.
HARRY: Een baan heeft u niet?
TOM: Wel gehad hoor. Maar het maakte van mij een ellendig brokje armzaligheid. Ik werd gek daar. En u? Hebt u wel een baantje?
 
Veere komt terug met kopje koffie en geeft deze aan Tom.
 
VEERE: Met een scheutje melk en een klontje suiker. Precies zoals jij dat lekker vindt.
TOM: (met schuin oog naar Veere) Ja, 't is zo'n schat. Echt hoor. Ik ken weinig mensen met zo'n goed hart als die van Veere.
 
...



Muizen overal muizen (7 dames, 3 heren)

© 2004

3 keer door een toneelvereniging opgevoerd


Het verhaal
 
Thom Hagen is een man van midden dertig die erom bekend staat iedereen altijd in de maling te nemen. Zijn stiefdochters Jessie en Fleur hebben hier meer dan genoeg van. Samen met Thoms collega Joost bedenken ze een plan om hun stiefvader terug te pakken. Hiervoor vragen ze vriendinnen en kennissen, waarmee ze inspelen op Thoms zwakke plekken; Zijn angst dat zijn dochters vriendjes krijgen en zijn zwak voor vrouwen. Er komen een heleboel rare snuiters over de vloer en Thom denkt op een bepaald moment echt dat hij gek wordt. Het lijkt allemaal te gaan lukken, maar door enkele tegenslagen pakt het toch even anders uit dan gepland. Verder mag Thoms vrouw Dorien niets van het complot weten of merken. En daarbij komt dat zij de knaagdierenexpert Frits heeft besteld, die eigenlijk teveel hoort, ziet en meekrijgt.
 

Jessie (Renske Grandia) en Charlie (Anke Steffers) van de Woubrugse Amateur Toneelvereniging
 
Korte dialoog
 
...
 
THOM: (zucht diep) Het is verdorie mijn auto…(verheft stem) Hoor je me? De mijne. (er wordt gebeld. Thom staat op, loopt weg via achterste deur en komt terug met een vreemde man in overall – Frits)
FRITS: U heb gebeld? Frits Sprits, expert van beroep (nadruk op 't' leggen) Ik komt van Frits & zoon. Ik bent de zoon. Frits is me vader. Wil u nog meer wete? Ik ben zo open als het schuifdak van een cabrio. Waar kent ik beginnen?
THOM: (zucht, maar blijft beleefd) U bent dus expert? Waarin bent u expert? Wat is uw terrein?
FRITS: Och meneer. Ik komt overal. Amsterdam, Leeuwarden, Appelscha. (alsof hij versje opzegt) U belt, wij komen aangesneld. Met machines handig en vlug, zo heb u zo uw huissie terug. Ik bent zelfs een keer in Polen geweest. Maar dat was eigenlijk meer voor een congeres over ongediertebestrijding. De baas betaalde, dus ja, dan zeg je geen nee, hè. Nu is het dan het geval dat mijn vader de baas is, maar dan nog…
THOM: Je hebt experts in alle soorten en maten. Experts in computers, experts in bommen, experts in tuinen. U bent een expert in…
FRITS: Oh, dat bedoelt meneer. Nou snapt ik het. Ik bent expert in knaagdieren. Ratte, muize, marmotte, hermenelijne, otters, bevers, muskusratte. Ach, noemt het op en ik kent ze de koppies omdraaien. Niet woordelijk dan hoor. Daar hebben we tegenwoordig de mooiste snuifjes voor. Grote en kleine vallen en… (wordt onderbroken)
THOM: (wordt steeds ongeduldiger) En welke van deze knaagdieren hebben wij, naar uw zeggen, tussen de muren lopen?
FRITS: Meneer, ik zegt dat toch nie? U liep te bellen. Ik kent toch nie ruiken wat voor huisdieren u heb? U heb gebeld, ikke nie. Maar goed, wij zijn zeer surviezegevoelig. Dat zalt u vanzelluf wel merken. Ik zal es effe kijken (doet tas open, rommelt erin, papieren vallen op de grond, samen met muizenvallen, gifkorrels e.d.) Eh…effe zien…Straatnaam?
THOM: Vraagt u nou werkelijk naar de straatnaam waar u zojuist bent aangekomen? Hoe hebt u het kunnen vinden dan?
FRITS: Ik moet het toch effe checku. Misschien staat ik wel in de verkeerde straat, in het verkeerde huis met een verkeerd nummer. Dat ken ik nie ruiken natuurlijk. Nou, zegt u uw straatnaam eens.
THOM: Van Perliepenstraat 21.
FRITS: Vroeg ik al om uw huisnummer? Dan had ik dat toch duidelijk gezegd? Ja, sorry hoor meneer, maar als u zo snel gaat, kennen die raderen hierboven het nie meer volgen. Ik bent maar een simpel zieltje, wel met een goed hart hoor. Dat moet u effe van me aannemen, maar simpel als een nuchtere Hollander.
THOM: Van Perliepenstraat.
FRITS: (gaat lijst langs, schudt hoofd) Nee, staat nie op mijn lijst, ik zalt wel verkeerd wezen. Excuses voor het gehinderd dan maar hè. Maar u moet het zonnetje ervan inzien. U heb na de hand toch nie van die irritante, knagende stinkdiertjes.
THOM: (vreet zichzelf bijna op) Laat die lijst eens zien dan! Misschien kijk je erover heen. (grist lijst uit de handen van Frits)
FRITS: U heb het toch nie de moeite genomen om het aan de telefoon te spellen? Ik bedoelt…mijn handschiffie is voor buitenlanders ingewikkelder dan het Latijns voor mij is. (bukt om gevallen spullen op te pakken en op te ruimen)
THOM: (Thom kijkt een beetje verward) Wat gebruikt u om dingen te noteren?…Een stukje steenkool?
FRITS: Nee, doet ik met me vingers. Kijkt u maar. (pakt schoensmeer uit zijn zak, doopt vinger erin en schrijft op een papier) Handig hè?
THOM: (Thom schudt hoofd en geeft papieren terug aan Frits) We staan er inderdaad niet tussen. Het zal wel een misverstand zijn. Waar laat u dat vieze spul aan uw vinger nou?
FRITS: (antwoord niet, maar veegt vingers aan overall af, raapt nog steeds) U dacht toch nie werkelijk dat ik een onalfabet was? En me eige handschriffie leze ken ik als de beste hoor.
THOM: (overdreven) Ik heb dan ook geen moment aan u getwijfeld. U lijkt mij een zeer wijs en verstandig man.
FRITS: Vindt u dat echt? Wat vreselijk sympatisant van u, meneer.
THOM: Ik zal mijn vrouw, straks als ze thuiskomt, nog wel even vragen of zij gebeld heeft. Zij doet nog wel eens dingen waar ik niets van afweet. (beetje in zichzelf) Zoals de kalender vol schrijven met haar onzinnige afspraakjes.
FRITS: Goed, dan gaat ik maar weer een end heen hè? Als u ooit toch nog eens last heb van die knagers, u weet wie u bellen moet. Frits & zoon. Ik bent de zoon…
THOM: (onderbreekt Frits) En Frits is de vader…!
FRITS: Hoe weet u dat?
THOM: (lacht hopeloos) Goeie gok!!??
FRITS: Ik bent naar hem vernoemd, ziet u… En ik moet zeggen, ik lijkt best wel een beetje op me ouwe. Hij is alleen ietsjes kleiner en zijn haar is helemaal grijs, al achttien en een half jaar. Lang hè?
THOM: (nog geïrriteerder) Bijzonder… en ik had ook zelf echt niet kunnen bedenken dat die naam van hem was overgenomen. Zeer origineel, mag ik wel zeggen. Maar Frits, ik zal u niet gauw vergeten, al zou ik het nog zo dolgraag willen. Zal ik u even uitlaten?
FRITS: Uitlaten? Zo’n riempie doet pijn in je nek hoor. Mijn vrouw heb het wel eens bij me geprobeerd… Het leek ons wel spannend (geeft overdreven knipoog), maar het zweepie bleef achter zo'n spijkertje van die riem hangen. Nou ja, u kent het misschien wel raden. Nou, striemen, het was werkelijk waar niet te geloven en een pijn…de voorkant van een trein is ‘t er niks bij. Al weet ik nie hoe dat zou kenne voelen.
THOM: Verder wel een goed huwelijk?
FRITS: Oh ja hoor…mijn vrouw en ik…
THOM: (onderbreekt Frits) Ik zal u even de deur wijzen.
FRITS: Die hebt ik allang gezien. U heb me er net zelf door naar binnen gelaten. Dat deurtje ken trouwens wel een likkie verf gebruiken. Hier en der zitten wat vale plekkies. Moe je mee uitkijken. Voor je het weet zit de rot erin.
THOM: (zucht zeer geïrriteerd) Gaat u mee, meneer Sprits?
FRITS: (Thom duwt Frits voor zich uit, maar Frits houdt nog even tegen) U krijg binnenkort de rekening, hoor. Sturen wij zonder extra kosten naar u huis op. Survieze van de zaak.
THOM: (staat direct stil) Rekening? Waarvoor moet ik betalen dan? Je hebt hier niets gedaan, alleen maar staan zwetsen als een ouwe LL.
FRITS: Ja hallo, ik bent toch hier naartoe gekomen. Benzine kost geld hoor. En bijschrijvingskosten niet te vergete. En ik had insmiddels ook al een andere klant met een bezoekie kenne veronneren. Tot ziens, meneer Hagen.(verdwijnt snel via achterste deur)
THOM: Maar…hee…nee, wacht nou eens… (zucht diep en kijkt moedeloos)
 
...

HomeNieuwsSchrijfsterWerkwijzeBestellenPrijzenTe koopAgendaPersContactStukken