Geef de schuld maar aan de butler (5 dames, 2 heren)
© 2009
5 keer door een vereniging opgevoerd
Het verhaal
Roderick is een luie kerel zonder werk die een groot huis bezit en leeft als een prins door de financiële bijdrage van zijn vader. Zijn vriend Koen vraagt hem op een dag of hij voor een weekje Roderick zijn huis mag lenen. Hij heeft namelijk een dame, Sophie, ontmoet die langs wilt komen en heeft haar verteld dat hij zeer rijk is en heel veel bezittingen heeft. Roderick kan dan wel een weekje in zijn flatje. Maar als blijkt dat het liefje van Koen een bekend fotomodel is, wil Roderick zijn huis niet uit. Hij besluit als butler op te treden, in de hoop Sophie voor zichzelf te veroveren.
Maar ja, met een bemoeizuchtige buurvrouw, een moeder die voortdurend langskomt, een vriendinnetje wat Roderick het liefst zou dumpen en een dame die namens het Incassobureau geld komt innen, is dit allemaal niet zo gemakkelijk als het lijkt.
Korte dialoog
De deur linksvoor gaat weer open. Koen komt binnen. Hij heeft een pak aan. Tenminste, zo lijkt het aan de voorkant. Aan de achterkant zitten alleen touwtjes om het pak vast te houden en hij draagt een soort string. (als de heer die deze rol speelt, dit te ver gaat, kan hij ook gewoon sexy gekleed gaan) De blote achterkant ziet het publiek nog niet. De hele tijd niet. Koen pest het publiek eigenlijk door zich niet met zijn rug richting het publiek te draaien, maar steeds juist andersom te blijven staan.
Koen: Zo, nu de tafel nog even mooi dekken. Kaarsen! Waar vind ik kaarsen? (opent wat lades, pakt er een complete kaarsenstandaard met kaarsen uit en zet deze op tafel – af naar keuken)
Roderick: (komt weer even omhoog) Tjonge, wist niet dat ik die nog had.
Koen: (weer op, Roderick duikt weg) Schone borden en wijnglazen. Het is maar goed dat ik wat afgewassen heb vanmiddag. Oh Sophie, zodadelijk gaan we eerst heerlijk dineren bij kaarslicht. En daarna ga ik je verwennen in bed, zoals je nog nooit verwend bent.
Roderick: (schraapt zijn keel)
Koen: (kijkt even rond, maar reageert er verder niet op) Vuur, hoe kom ik aan vuur? Keuken! (af naar keuken)
Roderick: (weer omhoog) Hij maakt me gek. Hij ligt straks met de allerprachtigste vrouw van de hele wereld in bed en ik… ik lig hier achter de bank als één of andere zwerver met koude pizza en slechte wijn, die alleen maar kan dromen van zulk warm gezelschap. Ik had mijn huis nooit uit moeten lenen.
Koen: (op met aansteker, Roderick duikt weg – Koen fluit liedje) Zo, mooi de kaarsen aan. Dan horen er natuurlijk nog wel een paar mooie servetten bij. Wacht, die heb ik vanmiddag ergens zien liggen. Volgens mij… (loopt richting de kast die direct naast de bank staat – opent kast) Ja, hier heb ik ze. Nou ja, netjes zijn ze niet. (loopt weer weg van bank)
Roderick: (laat een zucht van verlichting horen)
Koen: Tocht het hier nou zo? Het lijkt wel of ik iets hoorde blazen.
Koen loopt richting het raam dat zich achter de bank bevindt. Hij staat nu vlak naast Roderick. Gedeeltelijk met zijn benen achter de bank. Dan gaat de deur voorzichtig open. Miep kijkt om het hoekje. Dan geeft ze een harde gil. Roderick komt met zijn hoofd boven de bank uit, precies op de hoogte van het klokkenspel van Koen. Koen draait zich zo naar Miep om, dat zijn achterkant even volledig zichtbaar is voor het publiek. Miep blijft schreeuwen. Dan valt het…
Doek
EINDE TWEEDE BEDRIJF
Pauze
DERDE BEDRIJF
De mannen en Miep zitten en staan nog steeds hetzelfde.
Roderick: Buurvrouw, rustig! (gaat snel staan)
Koen: Rick?
Roderick: Dag Koen.
Koen: Wat doe jij nou daar?
Miep: Ik wist het wel. Ik wist het wel.
Roderick: Buurvrouw, er is helemaal niets aan de hand.
Miep: Noem jij dit niets aan de hand? Hij staat daar in zijn nakie en jij zit daar op je knieën te…. (Koen graait een kussen van de bank en houdt deze tegen zijn billen) Jullie zijn aan het… aan het… Ik hoef er niet eens woorden aan vuil te maken. Het is allemaal overduidelijk.
Roderick: Buurvrouw, het is echt niet wat het lijkt. Ik zat gewoon achter de bank en Koen, die…
Miep: Zulke dingen doen normale mensen in de slaapkamer, in een bed.
Koen: Ik… eh…
Miep: Kijk Roderick, dit is jouw huis. En je mag in je eigen huis doen wat je wilt, maar zo… zo in de huiskamer. Dit is gewoon ordinair.
Roderick: Nu ben ik ook wat gewoontjes, moet u weten…
Miep: Weet je moeder hier al van?
Roderick: Er is niets voor haar om te weten.
Miep: Ouders moeten weten als hun kind ho… ho… (met kuchje) homoseksueel is.
Koen: Ja, net als dat ik ze al jaren geleden vertelde dat ik hetero was. Dat verdient ook uitleg.
Miep: Ik ben best modern. Ik kan dit best hebben. Maar niet… Niet dat ik het ook zie gebeuren.
Roderick: U kwam zelf zomaar binnen stampen.
Sophie komt binnen. Netjes gekleed.
Sophie: Zo, wat een drukte hier.
Koen: Kijk, dat is mijn vriendin.
Sophie: Vriendin?
Koen: Mijn geliefde.
Sophie: Je geliefde?
Koen: De vrouw waar ik mijn hart aan gegeven heb.
Sophie: Houd dat hart even lekker zelf, wil je? Doe niet zo eng!
Koen: Voor haar heb ik me zo gekleed.
Sophie: Man, als je moeder je zo ziet, krijgt ze een hartverzakking. Dit kan ze nooit hebben. Zeker niet met die ziekte van haar.
Miep: Wie ben jij?
Sophie: Sophie Stevens. En u?
Miep: De buurvrouw. Ik kwam binnen en toen trof ik… (schraapt keel) Ik trof deze heren aan in een heel bijzonder standje.
Sophie: Standje?
Miep: Ik ga het woord niet uitspreken, maar het ging zeer schaamteloos allemaal.
Sophie: (tot Roderick) En wat doe jij hier?
Roderick: Ik… eh…
Sophie: Je was toch uit met dat ADHD-grietje?
Roderick: Ja, was ik ook.
Miep: Maar hij miste zijn vriendje. En toen kwam hij even thuis langs om… om even met zijn vriendje te spelen. En wat is jouw aandeel in dit verhaal?
Roderick: Zij komt gewoon even langs.
Sophie: Ik denk dat ik zelf ook wel praten kan, butlertje!
Miep: Butlertje?
Roderick: Mijn koosnaampje!
Sophie: Ik bedoel er anders niks liefs mee, hoor. Ga liever wat te drinken halen.
Miep: Zo, een dame met pit. Dat zie ik altijd graag.
Sophie: Is er nog iets waar we u mee kunnen helpen, of… eh… gaat u gewoon weg?
Miep: Nou, waar ik eigenlijk voor kwam. Ja, dit is best wel belangrijk, denk ik. Ik bedoel, ik wil me er verder niet mee bemoeien, maar eh… ik was daarstraks even boven in mijn huis en toen zag ik toevallig dat er iemand via de tuin hier het huis binnenging. Ik kwam even polshoogte nemen om te kijken of er niets aan de hand was.
Sophie: U kwam zich er gewoon even tegenaan bemoeien?
Miep: Nee, ik bemoei me nooit ergens mee, maar dit zag er zo gevaarlijk uit. En ik had aan willen bellen, maar als er hier een inbreker had gelopen, had ik met aanbellen alleen maar bereikt dat hij op de vlucht was geslagen.
Roderick: En u dacht, mij doet hij niks als hij me ziet?
Miep: Ik heb de bruine band in karate. Zo bang ben ik niet aangelegd. Maar ik zie dat het allemaal koek en ei is. Dat jullie gewoon hier zijn.
Koen: (licht angstig) U weet heel zeker dat u iemand naar binnen zag gaan?
Miep: Ja, daarstraks. Een persoon sloop door de tuin, langs het zwembad en ging zo de achterdeur in.
Roderick: Ik weet het al. Ik ben zo naar binnen gekomen.
Miep: Maar… niet veel later, sloop er weer iemand door de tuin die wederom door de achterdeur naar binnen ging. Bij die eerste dacht ik, dat kan. Misschien kom (tot Roderick) jij thuis… Was je je sleutel vergeten. Maar toen ik een tweede gedaante zag lopen, toen vond ik het wel wat verdacht.
Koen: Een tweede?
Miep: Ik heb er twee gezien. Dat weet ik heel zeker. Met een tussenpoos van ongeveer vijf minuten.
Sophie: (ook wat bang) Dus er is echt nog iemand naar binnen gekomen?
Miep: Ja. En ik heb even gewacht om te zien of één van de twee weer naar buiten kwam, maar dat was niet het geval…
Koen: Misschien is die persoon wel weer door een andere deur vertrokken.
Sophie: Stel dat die tweede persoon nog wel binnen zit. En dat hij zich nu ergens verscholen houdt en wacht tot wij naar bed gaan en dan zijn slag slaat…
Roderick: Er is hier niemand.
Sophie: De buurvrouw heeft twee personen naar binnen zien gaan. Dat zegt ze toch niet zomaar?
Miep: Precies. Ik ben bereid het huis te doorzoeken. En als ik hem vind, neem ik hem in de houdgreep.
Roderick: Ho! Rustig nu! We weten helemaal niet of dit allemaal waar is.
Miep: Wil je soms beweren dat mijn ogen niet goed meer zijn?
Roderick: U heeft waarschijnlijk uw verrekijker gebruikt bij het bespieden van mijn tuin, dus dat denk ik niet. Maar het kan toch een schaduw geweest zijn… van… iets…
Miep: Ik ga zoeken. Als ik hem vind, gil ik keihard. Dan belt één van jullie 1 1 2 en de ander komt mij helpen. Tenminste, als iemand durft…
Roderick: Natuurlijk durf ik.
Koen: (met hapering) Anders ik wel.
Miep: Maar wel stil zijn. Dan kan ik afgaan op mijn scherpe gehoor. (loopt voorzichtig richting linksachter. De anderen kijken haar na. Miep gaat af)
Sophie: Ik vind dit echt doodeng.
Roderick: Ik ben er, Sophie. En ik ben niet bang.
Koen: (pakt Sophie vast) En ik ben er ook, hoor. Ik zal je wel beschermen.
Sophie: (tot Roderick) Kun jij toch niet achter haar aan gaan? Stel dat het een kerel is van 2 meter 20 met klauwen als die van een ijsbeer en met zwaar geschut op zak. Dan redt ze het nooit met d’r houdgreep…
Koen: Misschien is dat een goed idee.
Roderick: Waarom ga jij niet?
Koen: Omdat ik bij Sophie wil blijven.
Roderick: Je bent gewoon bang.
Koen: Helemaal niet. Jij bent de butler. Jij moet dat soort klusjes opknappen. Hup! Ga!
Roderick: O.k. joh. Schijtluis! (tot Sophie) Ik zal zorgen dat je veilig bent en blijft. (gaat voorzichtig via linksachter af)
Sophie: (met glimlach) Ik vind het wel dapper van hem.
Koen: Hé, hij is de butler. Hij doet gewoon wat ik zeg.
Sophie: Maar toch…
Koen en Sophie blijven arm in arm staan. Het is een tijdje doodstil. Dan klinken er lichte voetstappen in de gang. Vooral Koen kijkt angstig. Maar ook Sophie kruipt verder in hem. De deur linksvoor gaat langzaam open. Koen schreeuwt en duikt achter de bank. Sophie gaat met haar rug tegen de wand naast de deur staan. Er komt iemand binnen, die Sophie direct vastpakt.
...
Verboden te tippelen (7 dames, 3 heren)
© 2007
2 keer door een vereniging opgevoerd
Het verhaal
Bart en Suus hebben een pension. Helaas loopt het niet zo goed. Iets waar Suus zich toch wel zorgen om maakt. Bart vindt het allemaal wel best. Zijn hobby, ferrari's, ziet hij er ook niet mee in gevaar komen. Hij wil zelfs een echte ferrari aanschaffen, iets waar Suus niets van af mag weten. Suus' moeder Mies komt een tijdje logeren in het pension, omdat ze 'onenigheid' heeft met haar man.
Zowaar komen er enkele gasten. Een stel dat door hun kinderen op een weekje pension is getrakteerd. Het is wel duidelijk dat manlief Alexander niks blij is om een hele week met zijn Dorien te moeten doorbrengen. Gelukkig zijn er in het pension meerdere dames waar hij wel wet pleziertjes in ziet. Ondertussen is Dorien ook bezig met hele andere zaken, waardoor ze Alexander niet voortdurend in de gaten houdt. Suus en Bart hebben het inmiddels ook te druk voor Dorien's 'geheim'. Er is namelijk een gast, Guido, aangekomen die veel weg heeft van een persoon van lichte zeden. Suus en Bart zijn er zeker van dat hij of een pooier of een gigolo is of toch in ieder geval een man is die hoertjes op zijn kamer ontvangt. Maar, is dit wel het geval? De vertwijfeling slaat toe als Suus' moeder zich ook door deze Guido laat inpalmen.

Korte dialoog
...
GUIDO: Good evening, misses and mister van der Ven. Verkopen jullie toevallig ook flessen champagne?
BART: (kijkt hem met argusogen aan) Iets te vieren?
GUIDO: (met glimlach) Zo zou je het kunnen noemen. Een mousserend wijntje is ook prima.
SUUS: Ik vraag het Martha wel even. (af via achterste deur)
BART: (na even) Het bezoek heeft u gevonden?
GUIDO: Ja, ze zei inderdaad dat ze naar me op zoek was gegaan, nadat bleek dat jullie niet wisten wie Guido was.
BART: Ze wist geen achternaam en wij wisten uw voornaam niet.
GUIDO: That’s the way… Zo gaat dat.
BART: Ze… eh… ze is gewoon even bij u op bezoek?
GUIDO: Zo kun je het wel noemen. Met een uurtje of twee vertrekt ze wel weer.
BART: Oh… gewoon even gezellig.
GUIDO: Yes, we maken het zeker gezellig. Dan verloopt het meestal het minst stroef.
BART: (slikt) Stroef?
GUIDO: Als de dames zich op hun gemak voelen, geven ze zich altijd meer.
BART: (kijkt wat viezig) Vast!
GUIDO: En meestal kan ik het beste in ze naar boven brengen. Dan worden het echte beesten en zijn ze dus op hun mooist.
BART: Ja…
GUIDO: Ik snap dat u denkt; die dames zijn wat meer op leeftijd, waarom geen jongere vrouwen? Maar geloof me, hun levenservaring ligt in hun ogen. Ze stralen met hun hele lichaam wijsheid uit. En dat geeft zoveel extra’s, een bepaalde glans die die onervaren wulpjes gewoon nog niet hebben.
BART: (wil het gesprek snel stoppen) Nog iets gewenst bij het mousserende wijntje?
GUIDO: No thank you, verder redden we ons best. Eh… maar nog even iets anders. Mocht er vannacht iemand bij me blijven, moet ik dat dan even hier melden?
BART: Ja, dat moet. En we… we rekenen een klein geldbedrag voor de onkosten, maar uw gast krijgt dan wel een ontbijt.
GUIDO: Perfect! No problem. Zodra ik meer weet, geef ik het door.
Suus op met een fles wijn vanuit achterste deur.
SUUS: Ik heb iets gevonden. Het is een mousserend wijntje geworden.
GUIDO: Nice. Thanks. (de buitendeur gaat open, Bo komt binnen met een rugzak op – Guido bekijkt haar, maar laat geen herkenning zien, al wacht hij wel even)
BO: Eén goedenavond. Ik ben op zoek naar Guido!
GUIDO: Ah. Jij moet Bo zijn!
BO: Ja klopt. (nerveus) Bent u Guido?
GUIDO: That’s me. In levende lijve. Heb je het snel kunnen vinden?
BO: (a.v.) De taxichauffeur heeft me een beetje moeten helpen, maar toen ging het goed.
GUIDO: Wow my lady, je bent precies wat ze van je zeggen. Prachtig hoor. Echt om op te vreten!
BO: Oh, dank u. (lacherig) U maakt me verlegen.
GUIDO: Welnee, je ogen stralen. De energie spat eruit. Ze zeggen heel iets anders dan je prachtige mond beweert.
BO: Meneer, ik moet er helemaal van blozen.
GUIDO: Die kleur staat je juist perfect. Kun je dat niet vasthouden? (Bart en Suus kijken met viezige, maar ook verbaasde blikken toe)
BO: Als u zo doorgaat, is er wel een kans dat dat gebeurd.
GUIDO: (tot Bart en Suus) Nog erg onervaren, hè? Laat begonnen. Eigenlijk zonde. (Bart en Suus staan bijna met hun mond open) Maar ik krijg ze wel los. Ik maak ze wel open!
BO: U moet echt heel goed zijn, heb ik gehoord.
GUIDO: Ach, ik doe m’n best. Meer kan ik niet, hè? Ben je er klaar voor?
BO: Graag!
GUIDO: Great. De andere dames zijn er ook al.
BO: Oh ja, het gaat vanavond met z’n drieën tegelijk, hè? Ik had zoiets begrepen.
GUIDO: (steekt arm uit, Bo steekt haar arm erin – tot Suus) En mevrouw, mocht u ook interesse hebben, u weet me te vinden! Ik zie in u ook wel een toekomstje. (tot Bo) Follow me!
BO: Thank you. (tot Suus en Bart) Goedenavond!
Suus+BART: (afwezig) Dag!
Guido en Bo gaan af, terwijl ze een simpel kletsje houden over Bo’s reis naar het pension toe. Suus en Bart blijven hen lang nakijken; ook als ze al uit het gezicht verdwenen zijn.
SUUS: (na tijdje) Denk jij wat ik denk?
BART: Als het jou ook misselijk maakt, dan denk ik inderdaad hetzelfde.
SUUS: Gatver. En hij is zo oud.
BART: Eerst die twee oma’s vanmiddag en vanavond, en nu nog een iets jonger toetje.
SUUS: Zou hij zelf… of nodigt hij juist de ‘jeweetwel’ bij hem uit?
BART: Misschien is hij wel zo’n soort baas of een bordeelhouder op zoek naar nieuw vlees.
SUUS: Bart, zoals jij het zegt, is het nog smeriger.
BART: Misschien geeft hij die dames wel een cursus ‘zelfvertrouwen krijgen’. Ze zijn allemaal wat nerveus en hij had het over het openmaken van die vrouw.
SUUS: Bart, hij bedoelt met openmaken echt wel iets anders.
BART: Dat weet je niet!
SUUS: Ik zie meer een gigolo die elke vrouw het gevoel geeft dat ze de mooiste van de wereld is en ze zo ‘verwent’. Voor veel geld natuurlijk. Gatsie!
BART: Dat klopt ook niet. Want hij had het over onervaren wulpjes die de uitstraling misten van een rijpe vrouw.
SUUS: Bah! Ik wil er niet meer over praten. Ik word er helemaal onpasselijk van. Hoe lang blijft die engerd?
BART: Op zich twee weken, maar misschien met een uitloop van nog eens twee weken.
SUUS: En elke dag zullen er dus drie vrouwen voor hem langskomen?
BART: Hij zei dat hij het vanavond rustig had, dus misschien komen er morgen wel tien.
SUUS: Bart, ik weet dat je de leeftijd hebt, ik weet dat je een beetje last van je hormonen hebt, maar ik wil toch dat je probeert je een beetje te beheersen.
BART: Het zijn feiten.
SUUS: Je zegt het op een manier dat je ogen veel vunziger kijken dan dat je mond vertelt… Bah, dat zei die kerel net ook.
BART: (met ondeugende blik) Dus jij wil je niet door hem laten inpalmen?
SUUS: Bart!
BART: Misschien betaalt het wel hartstikke goed.
SUUS: Bart!
BART: En jij kan dan een soort undercover gaan en erachter komen of het om een seksbaas gaat of om bezoekjes.
SUUS: Bart, nog één woord en je slaapt de rest van de tijd dat die smeerlap hier zit op de bank.
BART: Suusje, lieverd. Ik zit je te dollen. En ach, als jij je met hem inlaat, slaap jij zelfs niet eens op de bank, dan slaap je onder de blote hemel!
Dorien op door de buitendeur. Ze draagt sportieve kleding, wandelschoenen en een flinke rugzak op haar rug.
DORIEN: Ah, een goedenavond. Oh, wat heb ik heerlijk gejogd. Ik voel me weer zo fris als een hoentje?
BART: Wat? Wie?
DORIEN: Wat kun je hier heerlijk door het bos lopen.
BART: Het wordt me even te veel. Ik ben achter! (af via deur achter de balie)
DORIEN: En je komt niemand tegen. Zo heerlijk.
SUUS: Bent u helemaal alleen het bos ingegaan?
DORIEN: Prachtige paden, vooral die paden waar maar een enkeling langskomt. Echt genieten.
SUUS: Maar het is donker buiten. Was u niet bang?
DORIEN: Ach, als ik daar al bang voor zou zijn, kan ik beter thuis achter de geraniums gaan zitten en er nooit meer op uittrekken.
SUUS: Ik vind het dapper van u.
DORIEN: Ik zou graag een bronwater krijgen. Heeft u dat?
SUUS: Oh ja, natuurlijk. Ik haal het direct voor u.
DORIEN: (met glimlach) Bedankt! (Suus af via achterste deur – Dorien gaat bij het tafeltje zitten en legt de rugzak voorzichtig voor zich op tafel) Gaat het goed daarbinnen? (ze maakt de tas open en wil er iets uit pakken. Maar ze kijkt eerst nog even in het rond. Dan komt Suus alweer terug via achterste deur. Ze kijkt even naar het geheimzinnige gedrag van Dorien, maar Dorien heeft haar in de gaten en kijkt haar, ook wat geschrokken, aan)
SUUS: (betrapt) Een bronwater en een glas. Alstublieft.
DORIEN: Dank u wel. (houdt de tas angstvallig dicht)
SUUS: Verder… eh… nog iets?
DORIEN: Is Alexander op de hotelkamer?
SUUS: Sorry mevrouw. Geen idee.
DORIEN: Maakt ook niet uit. (ademt diep in) Echt een prachtig bos, hoor. Die rust ’s avonds. Ik heb zelfs een everzwijn gezien.
SUUS: Dat is… bijzonder.
DORIEN: Ja, Alexander wil nooit mee als ik ga wandelen. Hij houdt er niet van. Als hij bij de buren langsgaat, wil hij het liefst nog met zijn auto.
SUUS: Het is erg gezond… dat wandelen.
DORIEN: En vooral ’s avonds vind ik het heerlijk om het daarbuiten te verkennen. Die rust. Orde en evenwicht. Zoals de natuur dient te zijn.
SUUS: Ja, de natuur is iets prachtigs.
DORIEN: Goed, ik ga even bij Alexander kijken. Hij moet niet te lang alleen zijn. Dan doet hij rare dingen. (staat op, drinkt glas leeg, pakt rugzak voorzichtig op en het flesje bronwater) U zet het even op rekening?
SUUS: Ja hoor, geen probleem. (Dorien af via de achterste deur) Oh, waarom ben ik ook altijd zo vreselijk nieuwsgierig. Wat zal ze in dat bos hebben gedaan? Er zit iets in die rugzak. Dat moet wel. Zoals ze hem optilde… Nou ja, ’t zijn vast mijn zaken niet. (af via deur achter balie)
Vanuit de achterste deur komt Anna op. Ze draagt een badjas en haar haren zitten wat wild door elkaar.
ANNA: Hallo? Is hier iemand?
Martha en Mies komen op vanuit achterste deur. Martha heeft haar jas aan.
MARTHA: Och heremetijd, d’r is iemand.
ANNA: Dag mevrouw. Daarstraks heb ik u ook al even gezien. Ik heb een vraag.
MARTHA: Och heremetijd. Maar dat kan ik helemaal niet.
MIES: Natuurlijk wel, Martha. Vraag gewoon wat ze wil vragen.
MARTHA: Maar ik doe nooit mensen die voor meneer en mevrouw van der Ven komen.
MIES: Je zegt gewoon: ‘Goedenavond mevrouw, waar kan ik u mee van dienst zijn.’
MARTHA: Van dienst? Zij gaat toch geen keukendiensten of huishouddiensten draaien?
MIES: Toe maar!
MARTHA: (schraapt keel) Ahum… Goedenavond mevrouw, wat kan ik u voor dienst zijn?
ANNA: (met glimlach) Guido is zojuist hier geweest en heeft om een fles heerlijke wijn gevraagd. Hij heeft er echter geen glazen bij gekregen. En uit de fles drinken, is wat vreemd.
MARTHA: (helemaal blij tot Mies) Een keukenvraag. Die kan ik oplossen.
MIES: Doe dat dan maar, hoor.
ANNA: Vier glazen, alstublieft!
MARTHA: Vier wijnglazen. Mevrouw, die dienst ga ik voor u doen. (trots af via achterste deur)
MIES: ’t Is zeker wel gezellig boven?
ANNA: Oh, ja hoor.
MIES: Bent u wel familie van Guido?
ANNA: (lacht kort) Nee hoor.
MIES: Ook al niet?
ANNA: Nou ja, ze noemen ons wel eens één grote familie. Maar er zijn er zoveel die op freelance basis werken, dat dat eigenlijk niet klopt.
...
Alle kokosnoten en bosjesmannen bij elkaar (4 dames, 3 heren)
© 2007 Toneelteksten.nl
8 keer door een vereniging opgevoerd
Het verhaal
Op een dag spoelen Marijn, Nicolien, Mascha en Louis aan op en verlaten eiland. Louis had het een beetje mis met zijn berekening en het schip was op de klippen gelopen. Alle vier dragen een geheimpje mee. Marijn heeft een “klein” probleem met drank, Nicolien is een echte sjans en kan het ook nu niet laten, Mascha is net van haar man af, een echte lady en voelt zich het zieligst. Tenslotte is Louis zijn vrouw en bedrijf kwijtgeraakt, waardoor hij een chagrijnige, negatieve pesimist is geworden. Als ze uitgeput op het strand liggen komt Maarten een kijkje nemen. Maarten is een wetenschapper en woont al jaren op het eiland, waar hij zich volledig richt op zijn vogelonderzoek. Nadat het viertal is bijgekomen gaat Mascha op onderzoek uit en vindt een pension waarvan Kees en Marïet eigenaar zijn. Ze hebben echter nog nooit gasten gehad. Dan volgen er allerlei komische verwikkelingen want Kees draagt ook een groot geheim met zich mee, Maarten raakt in hun verhalen verwikkeld en Louis raakt zijn geheugen kwijt door een kokosnoot die een beetje loszat.

Korte dialoog
...
Nicolien pakt een kaars op en blaast de andere kaarsen uit. Vervolgens helpt ze Louis opstaan en helpt hem naar de hut.
Het is even stil. Er klinkt wel wat onverstaanbaar geroezemoes in de hut.
MASCHA: Au, welke idioot zet zijn enorme zeeschuiten boven op me?
NICOLIEN: Oh sorry, dat was ik. Louis en ik moesten toch beiden aan een kant van de hut gaan liggen? Dan moet ik over jullie heen stappen.
MASCHA: Er staan hier toch kaarsen?
NICOLIEN: Ik ben een beetje nachtblind.
MASCHA: Er is hier licht, daar heeft nachtblindheid niets mee te maken.
NICOLIEN: Sorry!
LOUIS: Lukt het, liefje? (even geen reactie)
MASCHA: Hij heeft het tegen jou, Nikki.
NICOLIEN: Tegen mij? (even stil) Oh ja, tegen mij. (iets harder) Ja Louis, het gaat goed.
MASCHA: Koop een bril voor d’r als je weer in bewoonbaar gebied bent, Louis! Dan martelt ze mij tenminste niet meer.
MARIJN: (zwaar geïrriteerd) Is het nou klaar? Ik wil slapen.
NICOLIEN: Ja natuurlijk, sorry.
Het wordt even stil.
MASCHA: (gilt) Ik voel wat over me heen kruipen. (Nicolien gilt ook)
MARIJN: Sst! Doe normaal! Wacht, ik schijn een kaars bij. (vanuit de hut moet er wat beweging te zien zijn als een soort schimmenspel)
MASCHA: Ie, ik voel het nog steeds. Het lijkt wel een muis.
MARIJN: Blijf stil liggen! Louis, haal voorzichtig de deken van Mascha af!
LOUIS: Ik?
MARIJN: Ja, jij!
LOUIS: Maar als er nou een enorme vogelspin zit of een slang.
MASCHA: (gilt weer) Hou op! Hou op! Haal het van me af!
LOUIS: Goed, heel voorzichtig. Heel rustig til ik nu de deken omhoog. Ik kijk niet, goed?
MASCHA: (paniekerig) Wat zit er? Wat zit er?
MARIJN: Blijf doodstil liggen! Rustig ademhalen. Het is een… een gigantische, grote, kolossale, glibberige…
MASCHA: (nog banger) Haal het van me af! (luid) AAAH. (Mascha komt de tent uit hollen, waar ze gilt, schreeuwt, tiert en op en neer springt) Haal hem weg! Haal hem weg!
Marijn, Nicolien en Louis komen ook naar buiten. Ze moeten allen keihard lachen om Mascha’s gespring en gegil.
MASCHA: Sta daar niet zo stom te lachen! Red mij van dat beest!
MARIJN: (maakt haar laatste zin af) …kakkerlak!
MASCHA: (gilt nogmaals) Hij bijt me. Ik voel het. Help me! Help me dan!
NICOLIEN: Mascha, het is maar een kakkerlak.
MASCHA: Een… een kakkerlak. Noem je dat ‘maar’ een kakkerlak? Weet je hoe groot en smerig die beesten zijn?
MARIJN: Maar totaal ongevaarlijk.
MASCHA: Ik voel hem toch knauwen aan mijn vlees. Oh bah, zodadelijk kruipt hij via mijn huid mijn lichaam in.
NICOLIEN: Ieuw!
MARIJN: Het is geen bloedzuiger of een teek, hoor. Echt Mascha, kakkerlakken doen ons niets. Ze zijn wel een beetje smerig, maar ze bijten ons echt niet.
MASCHA: (wat rustiger) Echt niet?
MARIJN: Nee, echt niet. Kom! Dan gaan we de hut weer in. We hebben onze slaap hard nodig.
MASCHA: Ik ga die hut echt niet meer in. Mij niet gezien. Echt niet, hoor!
MARIJN: Hierbuiten zitten gevaarlijkere beesten, hoor.
MASCHA: (bangig) Zoals…?
MARIJN: Vogelspinnen, slangen, giftige kreeften, gnoes.
MASCHA: Hou op! Hou op! Ik weet genoeg. (sprint de hut in, de anderen lachen – vanuit tent) Maar morgen ga ik hier weg. Ik blijf hier niet langer dan nodig is.
MARIJN: Als ze nou even een vliegtuig regelt die ons oppikt en terug brengt, ga ik ook mee, hoor.
NICOLIEN: Natuurlijk, ik ook.
LOUIS: (zielig tot Nicolien) Maar we hebben het juist zo romantisch hier.
NICOLIEN: (met tedere blik) Dat kunnen we thuis ook hebben, lieve Louis.
De drie gaan de hut ook in. Heel even klinkt er nog wat geroezemoes, dan wordt het stil en gaan de lichten in de hut uit.
Het duurt even voordat Kees en Mariët opkomen. Kees heeft een zaklamp vast. Ze lopen heel voorzichtig. Onderstaand gesprek voeren ze fluisterend.
MARIËT: Kees, het is dat je me wakker hield met je gedraai en gezucht, anders had je me echt niet zo gek gekregen om er midden in de nacht op uit te gaan.
KEES: Ons leven hangt er vanaf, Mariët. Als er echt bosjesmannen zijn, is het hier heel gevaarlijk en dan zullen we koste wat het kost, zo snel mogelijk moeten vertrekken.
MARIËT: We zitten nu al twee jaar op dit eiland. Waarom zullen er nu opeens bosjesmannen zitten?
KEES: Overal is zee. Iedereen kan hier komen. Ook slechte mannen die ons willen gebruiken als offers voor hun goden.
MARIËT: Hoe kom je toch aan die onzin? Bosjesmannen bestaan alleen in sprookjes.
KEES: En hier op het eiland.
MARIËT: Kees, die verhalen worden verteld om kinderen bang te maken. Zodat ze niet liegen tegen hun ouders. Want als ze liegen, dan komen de bosjesmannen ze halen en vreten ze op.
KEES: En dan zeg je dat ik rare verhalen vertel. De jouwe zijn nog veel gruwelijker.
MARIËT: Oom Karel vertelde dit vroeger als we op zijn boerderij gingen logeren. Hij zei, dat als we buiten zijn weiland kwamen, bosjesmannen met bekken als die van de valste honden, op ons af zouden komen rennen en ons zouden verscheuren.
KEES: Da’s een aardige oom. Leuk om daar te logeren.
MARIËT: De buurboer had inderdaad twee grote honden met grote bekken, met daarin enorm grote tanden. Dus het was maar een klein beetje gelogen.
KEES: En dan vertellen ouders hun kinderen dat ze niet mogen liegen. Waar gaat het toch heen met de wereld? (er klinkt wat gekraak) Sst, ik hoor wat.
Kees duwt Mariët de rechterbegroeide poort in. Zijn zaklamp doet hij uit. Uit de hut komt Marijn, die zich uitrekt.
MARIJN: Oh, ik zou een moord doen voor een glas goede whisky. Zelfs rum is goed. (gaapt zeer overdreven, waardoor het een soort brulletje lijkt)
Mariët geeft een gil, Kees een nog veel hardere schreeuw, waarna ze er heel snel vandoor gaan. Marijn kijkt geschrokken in hun richting en kan even geen enkel geluid maken van schrik.
MARIJN: (met bange bibberstem) Mascha? Ben jij dat? (luistert even) Louis? (luistert weer) Wie was dat? Hallo? (iets luider) Hallo? Wie zit er in die bosjes?
NICOLIEN: (vanuit hut) Marijn, wat is er?
MARIJN: Nikki? Zit jij in de hut?
NICOLIEN: Ja, jij niet dan?
MARIJN: (nog banger) En wie zijn daar bij jou?
NICOLIEN: Mascha en Louis.
Marijn begint zo hard te schreeuwen dat er direct geschreeuw vanuit de hut volgt door de andere drie. Ze stormen naar buiten, waar ze nog even blijven staan schreeuwen.
NICOLIEN: (na tijdje) Waarom schreeuwen we eigenlijk?
MARIJN: Nou ehm… ik eh… ik weet zeker dat ik daarnet mensenstemmen hoorde.
MASCHA: Ja, van ons.
MARIJN: (wijst richting rechts) Nee, daarvandaan.
MASCHA: Misschien droomde je het?
MARIJN: Nee, ik sliep nog niet eens. (bedenkt zich) Maar wacht eens, voor ik buiten kwam, dacht ik ook al stemmen te horen. Die dacht ik me in, dacht ik. Maar ik weet zeker dat ik twee schreeuwende stemmen hoorde net.
MASCHA: Schreeuwende stemmen?
NICOLIEN: Dat klinkt wel eng.
LOUIS: Ik hoorde niks. Ja, ik hoorde jou brullen. Maar verder…
MASCHA: Misschien waren het wel… Je hoort dat toch wel eens. Dat er bosjesmannen op onbewoonde eilanden wonen?
NICOLIEN: Bosjesmannen?
MARIJN: Dat zijn alleen maar onzinverhalen. Daar maken ze kinderen alleen maar bang mee.
LOUIS: Wie gelooft er nu in die verhalen? Ze zijn nog slechter dan sprookjes.
MASCHA: Wat kan het anders zijn? Maarten kan in zijn eentje niet twee stemmen nadoen.
MARIJN: Het leken een man- en een vrouwenstem.
Vanuit de bosjes klinkt weer gekraak. De vier gaan dicht op elkaar staan en grijpen elkaar stevig vast, terwijl ze bang afwachten. Flink laten kraken, zodat de spelers banger en banger worden.
MAARTEN: Hallo? Is alles in orde?
NICOLIEN: Een bosjesman die ook nog eens Nederlands spreekt.
MAARTEN: Halllloooo? Is alles goed?
MARIJN: (opgelucht) Het is Maarten!
Maarten komt op door de achteringang, met zijn zaklamp schijnt hij de vier in het gezicht.
...
Van de regen in de dakgoot (5 vrouwen, 3/4 heren)
© 2006
Het verhaal
Als op een dag Zoë bij Marten aanbelt en hem smeekt haar te helpen omdat hij haar van vroeger schijnt te kennen, is Marten ervan overtuigd dat hij het meisje zo snel mogelijk uit zijn leven zal krijgen. Hij kan haar verblijf ook echt niet gebruiken, want juist nu gaat het tussen hem en zijn vriendin Kirsten niet zo lekker. Zoë vertelt allerlei treurige verhalen om Marten te overtuigen dat ze het moeilijk heeft, maar kan alleen het vertrouwen van Marten’s bemoeizuchtige moeder Vera winnen.
Maar Marten krijgt nog meer te maken met andermans problemen. Zijn vader Frenk komt langs met zijn liefdesverklaring voor de erg jonge dochter van Marten’s barvriend Sjors. Amy, zijn zusje komt plots langs en mag niets van vader’s relatie weten. Vervolgens komt Sjors bij Marten omdat hij bang is dat zijn dochter op het verkeerde pad aan het raken is. Even later verschijnt Sjors’ dochter Sanne zelf aan Marten en vraagt hem om zijn hulp in haar verhouding met Frenk. En om het nog gekker te maken, komt Vera er vervolgens achter dat Zoë de dochter van Frenk uit een vroegere relatie is. Als dan ook nog de verloofde (Simon) van Zoë verschijnt, die zijn beloofde bruid terugeist, ziet het er voor Marten naar uit dat zijn eigen leugens, tenminste, iedereen denkt dat hij liegt, hem de das om doen. En wat is er toch aan de hand met de dakgoot?
Korte dialoog
...
MARTEN: Ik verlang naar de dag dat mijn leven verloopt, zoals ik het bepaal. Ik lieg een keer niet en zelfs dan gelooft Kirsten me niet.
ZOË: Marten! Wil je mijn vader even roepen?
MARTEN: Sorry, maar dat gaat niet. Ik weet niet eens waar die woont.
ZOË: Nee, roep mijn echte vader erbij.
MARTEN: Dan weet ik nog steeds niet waar die woont.
ZOË: Hij was hier net. Ik hoorde zijn stem.
MARTEN: (geschrokken) Wooh, wil je zeggen dat je het einde van de lichttunnel zag en dat een engel je toe heeft gesproken? Was je al zo ver heen?
ZOË: Zijn lieve, zachtaardige stem weergalmde als zilverregen op een donzig bed van watten.
MARTEN: Dus de hemel ziet er wel naar uit, zoals altijd omschreven wordt?
ZOË: Mijn vader, Marten. Onze vader!
MARTEN: Ja, hij is iedereen’s vader. Dat heb ik vaker gehoord. Zoë, praat maar even niet. Rust gewoon wat uit. Zal ik nog een wijntje voor je halen?
FRENK: (komt kamer weer in) Wat een stuk hè? Wat een schetepeteet? Je zou haar toch met huid en haar op willen eten?
MARTEN: Sorry?
FRENK: Ik hoop zo dat onze liefde kan uitbloeien tot iets moois. Dat leeftijd geen verschil maakt en dat iedereen deze ware liefde goedkeurt.
MARTEN: Sinds wanneer ben jij zo’n romanticus, pa?
FRENK: Sinds ik de echte liefde heb gevonden en door mijn bloed heb voelen stromen.
MARTEN: Gatver pa. Nu ik dat meisje heb gezien… bah, ik wil me er geen voorstelling van maken.
FRENK: Ze is zo prachtig en zo rein van hart en geest.
ZOË: (komt overeind) Vader! Ik hoor je stem. Kom dichterbij.
FRENK: Wat heeft zij nou opeens?
MARTEN: Ze denkt dat ze voor de hemelpoorten staat en dat haar laatste oordeel nu wordt geveld.
ZOË: Vader, neem me in uw armen. Alstublieft.
MARTEN: Pa, speel maar gewoon mee. Volgens mij heeft ze geheugenverlies, dus dat is theoretisch gezien het beste. (staat op) Ik help Amy wel even in de keuken. Succes hier! (staat op en snelt af naar de keuken)
ZOË: Eindelijk. Ik heb u gevonden. Na mijn lange zoektocht sta ik eindelijk oog in oog met mijn vader.
FRENK: (met lage, zweverige stem) Dag lief kind. Hier is je vader. Welkom!
ZOË: Vader, ik ben zo blij om eindelijk bij u te zijn. Wat heb ik hier lang op gewacht.
FRENK: (zacht tot publiek) Toch zelfmoordneigingen?
ZOË: Ik weet dat u mij niet wilt. Maar ik wil u vragen om toch nog eens over uw beslissing na te denken.
FRENK: (weer zweverig) Heeft u zoveel gezondigd in uw leven dat u denkt dat u hier niet welkom bent?
ZOË: Ik heb eens een broodje worst gestolen in een warenhuis.
FRENK: (met lage stem) Heeft u grotere zondigdheden, (met eigen stem) jee, hoe noem je dat... ehm… zondes gepleegd?
ZOË: Vader, waarom ondervraagt u mij als een crimineel. Ik stelde u mijn hele leven al voor als een zachtaardige man.
FRENK: (weer met overdreven lage stem) Dat ben ik ook. Maar elke zaak wordt hier serieus bekeken.
ZOË: Waarom die afstand, vader?
FRENK: Lief kind, kom met mij mee. Dan leg ik je even op een zachte plek. Dan slaap je vast stukken beter dan op deze versleten bank.
ZOË: (huilerig) Nu herken ik pas een echte vader in u. Dank u wel, vader.
FRENK: ’t Is wel goed. (helpt Zoë mee opstaan en helpt haar naar de slaapkamerdeur, doet deze open en gaat met Zoë af)
Er wordt aangebeld. Het podium blijft leeg. Er wordt nog een keer gebeld. Dit keer wordt Amy het podium vanuit de keuken opgeduwd. Ze kijkt wat geïrriteerd achterom.
AMY: (ziet dat Frenk en Zoë weg zijn) Duwt hij mij naar binnen, omdat hij het schouwspel hier niet wil zien. Tsch, d’r is niet eens iets te zien. (bel gaat weer) Ja ja, ik kom al. (af naar hal – komt al snel terug met een sullige jongen) Hoe zie je ook weer dat je heette?
SIMON: Simon, Simon van Santen. Van Santen schrijf je met een S. Nou ja, ‘Santen’ dan. ‘van’ is gewoon met een ‘V’. (lacht erg eigenaardig)
AMY: Ik ben Amy. Amy van Straaten. Hé, toevallig ook met een ‘s’. (Simon kijkt Amy verbaasd aan) Laat maar. En u bent hier voor…?
SIMON: Zoë. Het mooiste meisje van de dochters van Ferweda. (lacherig) Ze hebben dan ook maar één dochter. (lacht weer)
AMY: En hoe komt u erbij dat zij zich hier bevindt?
SIMON: Ik heb overal mijn mannetjes voor. Nou ja, dit keer een vrouwtje. Zoë is hier naar binnen gegaan.
AMY: Naar binnen gelopen of naar binnen getild?
SIMON: (valt op zijn knieën en brult het uit) Nee, een andere man is me toch voorgegaan. Ze zijn in het geheim getrouwd en hij heeft haar over de drempel getild. Ik ben te laat. (huilt met lange halen)
AMY: Excuseer mij, maar dat was mijn vraag aan u.
SIMON: (stopt met huilen en gaat weer staan) Oh, op zo’n manier. Nee, dit mannetje, het vrouwtje dus, heeft haar gewoon naar binnen zien lopen.
AMY: En ze heet Zoë?
SIMON: Jazeker, van voren en van achteren.
AMY: Heet ze echt Zoë Zoë?
SIMON: (lacht) Nee, ik bedoel dat zowel haar prachtige gezicht als haar (met overslaande stem) billen Zoë heten.
AMY: Oh zo! (begrijpt er duidelijk weinig van) Het spijt me, Simon van Santen met een dubbelde ‘s’.
SIMON: Nee, dat is niet de juiste spelling. Alleen de ‘S’ van Van Santen is de ‘s’.
AMY: Goed Simon, ik moet je helaas teleurstellen. Wij hebben hier geen Zoë.
SIMON: (komt plots dreigend dichtbij Amy) Wil jij soms beweren dat mijn betrouwbare bron liegt?
AMY: Ik weet niet of ‘liegen’ het juiste woord is, maar kloppen doet het niet helemaal.
SIMON: Het enige wat klopt, is dat Zoë voor mij geschapen is. Zeer binnenkort ga ik haar ten huwelijk vragen, zoals mijn vader dat al bedacht heeft toen ze geboren werd.
AMY: En is dit iets wat Zoë ook wil?
SIMON: Natuurlijk! Ze slaat zo’n goede, sexy kerel als ik toch niet af? Ik heb een goede baan en zal haar in zijn geheel onderhouden.
AMY: Fijn dat u zo zeker bent. Maar nogmaals, Zoë is niet hier. Misschien bent u op het verkeerde adres.
SIMON: Als u er zo zeker van bent… (kijkt schuw rond) …dan heeft u er zeker geen problemen mee dat ik even rondkijk cq in alle kamers ga kijken.
AMY: Moet dat echt
SIMON: Ah ha, u gaat al terugkrabbelen. U wordt al bang.
AMY: Waarvoor?
SIMON: Ja, speel maar een spelletje met Simon van Santen. Maar helaas, jongedame, Simon van Santen trapt daar niet in. Niet meer tenminste.
AMY: Dan kijk je toch even rond. Ik geloof niet dat wij iets te verbergen hebben hier.
SIMON: Dat zal ik zeker doen. (loopt richting de slaapkamer, kijkt nogmaals achterom naar Amy die niet reageert en opent de deur – zet een stap naar binnen, geeft een keiharde brul en komt weer naar buiten - huilend) Mijn pop. Mijn lieveling, in de armen van een ander. Ik wist het. Ik voelde het. Hoe kan ze mij dit aandoen?
FRENK: (komt naar buiten gestormd) Wat gebeurde er? Waarom schreeuwde u zo?
SIMON: (a.v.) En dan verkiest ze zo’n ouwe zak boven een frisse knul als ik.
FRENK: Hé, wie noem jij hier een ouwe zak?
SIMON: (a.v.) Jij bent een ouwe zak. Jij bent zeker vijftig.
FRENK: Niet overdrijven nu, hè!
AMY: Pa, je bent de vijftig zelfs al voorbij.
SIMON: (a.v.) Geef het nou maar toe. Ik weet het toch al. Ik heb jullie op heterdaad betrapt.
FRENK: Amy, kun jij iets volgen van wat deze heer probeert te vertellen?
AMY: Al sla je me helemaal dood.
FRENK: Zo moordlustig ben ik toch niet, schat?
SIMON: (nog steeds huilend) Je had haar in je armen. Stevig tegen je aangedrukt.
FRENK: Oh, je bedoelt Sanne? (schrikt van zichzelf) Ik bedoel… ehm… (schraapt keel) Over wie heb je het eigenlijk?
AMY: Sanne? Waar heb jij het nou opeens over, pap?
FRENK: (zo onschuldig mogelijk) Hoe zei je nou ook weer dat ze heette?
SIMON: (stormt richting de haldeur) Ik ga naar mijn vader toe. Die zal u wel even leren van mijn liefje af te blijven. (af)
FRENK: Wat een dwaze idioot was dat, zeg.
AMY: Pap, wat liep jij nou plots over ene Sanne? Was dat diezelfde Sanne als die dochter van Sjors die hier daarstraks was?
FRENK: Welnee joh. Die ken ik toch amper?
AMY: Waarom word je dan zo rood?
FRENK: (zucht) Gewoon. Dat mens dat van het dak gevallen is, doet zo raar. Ze ziet me als een of andere god ofzo.
AMY: (lachend) Jou?
FRENK: En ze wil nog steeds niet zeggen hoe ze heet.
AMY: Marten zei dat ze aan geheugenverlies leed, dus dat is niet zo raar.
FRENK: Nou, haar hersens zijn inderdaad overgenomen door een of andere enge sekte. Ze lijkt wel gek.
MARTEN: (kijkt om het hoekje) De rust is weer weergekeerd? Eindelijk.
AMY: Waar bleef jij dan? Er stond hier één of andere halvegare zot die pa voor van alles uitmaakte. Lekker hoor, die bescherming van mijn grote broer. Op jou kan ik bouwen.
MARTEN: Dat gekke gedrag van Zoë vond ik doodeng. Ik moest er even bij vandaan.
AMY: Dat gekke gedrag van Zoë…? (ziet het in) Hé, hoe weet jij dat ze zo heet?
MARTEN: Wat? Zei ik Zoë?
AMY: Jazeker zei jij dat. Zie je wel dat je haar kent. Valse leugenaar.
MARTEN: Ja maar… (zucht) Goed, ik geef het toe. Maar kennen is een verkeerd woord. Zoë belde vanmiddag opeens aan met een vaag verhaal over dat ze was uitgehuwelijkt met een mafkees en dat ze dat niet wilde. Ze heeft me gevraagd of ik haar vriendje wilde spelen, zodat die kerel zou denken dat ze een andere lief had gevonden.
AMY: Dit is niet weer een leugen van je?
MARTEN: Nee, echt niet. Al zegt Zoë nog wel dat ze mij van vroeger kent. Maar daar weet ik echt niks van.
AMY: Op zich kan het wel kloppen. Die halve gare Simon van Santen die hier was, had het over zijn Zoë. Dat ze voor hem was. Misschien de uithuwelijkingpartner? Zou kunnen. Maar, nou rijst de vraag natuurlijk. Hoe kan het dat zij dan van het dak is gevallen?
MARTEN: Daar is een vrij simpele verklaring voor. Ik heb haar gezegd haar te willen verbergen voor iedereen. Toen jij en pa dus de keuken inkwamen, is ze waarschijnlijk in de dakgoot gaan staan en uitgegleden of iets.
AMY: Dus jij bent verantwoordelijk voor die valpartij?
MARTEN: Een beetje. Maar zij bestempelde mijn leven met haar ideeën.
FRENK: Oh jee…
MARTEN: Wat?
FRENK: Op zich is dit gunstig voor Zoë. Maar die lijpe gozer denkt nu dat ik zijn meisje heb versierd. En hij zei dat hij zijn vader erbij ging halen. Ik ben niet meer veilig. (er wordt gebeld) Daar is ‘ie al. Hij komt me afmaken. Ik moet me verbergen. Snel! (er wordt weer gebeld) Hoor maar! Hij kan niet wachten.
MARTEN: Pa, snel, de slaapkamer is. (richting slaapkamer) Ik houd hem daar wel weg. (weer de bel)
AMY: Nee, niet de slaapkamer. Daar wil die griezel eerst kijken.
MARTEN: Ga dan de keuken in.
FRENK: Ik ga mooi in een aanrechtkastje zitten. (af naar keuken)
MARTEN: O.k. Amy, we gedragen ons normaal. (zucht diep en gaat af - volledig in paniek stormt Vera op met een verbaasd kijkende Marten achter zich aan)
VERA: Marten, het is vreselijk. Het is werkelijk waar vreselijk. Dit had ik nooit van je vader verwacht. Hoe durfde hij? Hoe kon hij al die tijd zijn mond houden?
MARTEN: Wat is er dan, mam?
VERA: Dat arme kind. Jeminee zeg. Wat heeft hij haar aangedaan? Wat een leugenaar is het ook. Wat een grote leugenaar. Ik wist het wel. Ik wist dat hij altijd alleen maar loog.
MARTEN: Mam, rustig! (ziet het in) Heb je het gehoord van Sanne?
VERA: Van Sanne? (vragend) Welke Sanne?
MARTEN: (slikt) Ahum… Niks… denk ik.
AMY: Weer die Sanne!
MARTEN: Nee, dat was niks…
VERA: Hoe heb ik je vader ooit kunnen vertrouwen? Hoe heb ik bijna vijfentwintig jaar getrouwd met hem kunnen zijn?
MARTEN: Maar wie heeft hij zo voorgelogen dan? Wie is ‘dat arme kind’?
VERA: Jouw onderduikertje: Zoë! Ze is een dochter van Frenk.
Marten en Amy kijken zeer verbaasd. Een harde schreeuw klinkt vanuit de keuken. Dan valt het…
DOEK
...
Tentengluurders en Rozenbottellimonade (6 dames, 3 heren)
© 2005 Toneelteksten.nl
1 keer door vereniging opgevoerd
Het verhaal
Angèle en Rob zijn een stel dat op het eerste gezicht weinig gelukkig met elkaar is. Ze zijn niet de figuren die je in een tentje op een camping verwacht, maar op aandringen van het zusje van Angèle, Blanche, hebben ze het er toch op gewaagd. Angèle heeft erg veel last van vooroordelen en Rob is het zat om steeds maar te doen wat zij zegt. Als er naast hen een groepje van drie jongeren komt staan, bestaande uit Bram, zijn zusje Mirjam en haar vriendin Willemijn, weet Angèle zeker dat dat niet in de haak is.
Blanche wil haar zus Angèle verrassen met een bezoek op de camping, maar treft haar niet bij haar tent aan. Aan Bram vertelt ze over de tentengluurder, een man die de afgelopen nachten in meerdere tenten binnen is geweest. Blanche wil haar zus hier per se over inlichten, al weet ze dat Angèle daardoor waarschijnlijk zal willen vertrekken. Ze kent haar zus goed, want inderdaad; ze staat erop dat Rob haar mee naar huis neemt. Voor Rob is de maat vol. Hij stuurt zijn vrouw naar huis en blijft met Blanche kamperen in de tent.
Die nacht zijn er vreemde geluiden buiten te horen. De mensen in de twee tenten op de Egelwei zijn bang dat het de tentengluurder is en durven vervolgens niet meer in hun tenten te slapen. De volgende dag kan Nico, een soort campinggek/zwerver, Mirjam en Willemijn meer vertellen over de tentengluurder. Ondertussen mist Rob zijn vrouw, komt de moeder van Bram en Mirjam langs die niets mag weten van Brams meegaan naar de camping en lijkt het of Blanche een man aan de haak wil slaan, maar in plaats daarvan blijkt dat ze juist een vreemde obsessie heeft, waar niemand iets van afweet. Ook is er de campingbazin Merel, die het tentengluurderverhaal geheim wil houden.
Of weet Nico nog meer dan hij al toegeeft?
Korte dialoog
Als het doek opengaat, is het op het podium bijna geheel donker. Er klinkt wat gekraak van takjes. Niet veel later gaat er in de linkertent (die van Bram en consorten) een zaklamp aan. Stilte. Dan het zachte gefluister van de tentbewoners.
WILLEMIJN: Hoorden jullie dat ook?
MIRJAM: Wat was dat?
BRAM: (slaperig) Meiden, we zijn hier in de buitenlucht. Ga toch slapen.
WILLEMIJN: Ik hoorde echt wat.
MIRJAM: Ik ook. Het leek wel of er iemand rond de tent sloop.
WILLEMIJN: (bangig) Doe niet zo eng. Gatver.
MIRJAM: Wat was het dan?
BRAM: Het was vast een leeuw of een olifant. Kom op, ogen dicht en niet op letten.
MIRJAM: Bram, ga eens kijken!
BRAM: Ja, ben daar gek. Ik lig net zo lekker.
WILLEMIJN: Stel dat het die tentengek is. Misschien komt 'ie zo wel naar binnen om ons iets aan te doen.
MIRJAM: Hou even lekker op, jij! Straks geloof ik je nog.
WILLEMIJN: Het kan toch waar zijn?
MIRJAM: Bram, ga nou even kijken.
WILLEMIJN: Doe het voor ons.
MEIDEN TEGELIJK: Please!
BRAM: Het is toch erg ook. Eerst moet ik mee op vakantie, omdat jullie niet samen mogen gaan en nou word ik nog als jullie slaaf gebruikt ook.
MIRJAM: Je weet wat je er voor krijgt. Houd dat steeds in je achterhoofd.
BRAM: Goed, ik kijk wel even.
Er klinkt een rits. Dan nog een rits. Een zaklamp schijnt het publiek in het gezicht. Vaag is te zien hoe Bram uit de tent komt kruipen.
BRAM: Yoohoo, tentengek. Ben jij het? Hallo, laat je gezicht zien. Oh, en ga dan met mij mee de tent in. Kunnen we lachen.
MIRJAM: (woest, maar bang) Bram!
BRAM: Zo eng kun je niet zijn. Je bent ook maar een mens.
MIRJAM: Bram, hou op!
In de tent van Blanche en Rob gaat ook een zaklamp aan.
BLANCHE: Rob, wat hoor ik allemaal?
ROB: (slaperig) Wat?
BLANCHE: Er staat een man te schreeuwen buiten.
ROB: Het zal de buurman wel zijn.
BLANCHE: Hallo, je bent hier niet thuis in Maassluis.
ROB: Waar ben ik dan?
BLANCHE: Op de camping.
BRAM: Buurtjes, hebben jullie de tentengek misschien gezien?
MIRJAM: Bram, doe nou normaal!
BLANCHE: Wie was dat?
ROB: Toch de buurman. Hij zei toch 'buurtjes'?
BLANCHE: Misschien is het wel die man die in die tenten inbreekt.
ROB: Moeilijk inbreken zal dat zijn, zeg. Al die sloten er eerst afmollen en dan nog een raam inslaan. Pff.
BLANCHE: Ik ben heel serieus, Rob.
BRAM: Blanche en Rob, hoorden jullie ook iets?
BLANCHE: (met gilletje - in paniek) Hij weet onze namen. Die man is levensgevaarlijk. Rob, ga even kijken! (smekend) Alsjeblieft, doe het voor mij.
ROB: Weet je hoe koud het hier 's nachts is. Als je moet zeiken, lukt het niet eens, omdat het gewoon zeer doet.
BLANCHE: (streng) Rob, nu!
ROB: O.k. o.k. ik ga al. Rustig maar! (geluid van een rits en van nog een rits)
MIRJAM: Bram, wat hoor ik daar?
BRAM: Er is leven in de tent van de buren. Misschien zit die engerd wel bij hun binnen en is 'ie nu bang geworden en komt hij naar buiten. Met de staart tussen z'n benen.
MIRJAM: Bram, het is nu niet de tijd om de lolbroek uit te hangen.
De schim van Rob is te zien. Ook hij schijnt een zaklamp het publiek in.
ROB: Wie is daar?
BRAM: Ah, dag buurman. Bram hier. Bent u ook op zoek naar de tentengek?
ROB: Naar wie?
BRAM: Naar die man die de tenten 's nachts insluipt.
ROB: Is 't ie er dan?
BRAM: Volgens mij niet, maar mijn zusje en haar vriendin denken van wel.
MIRJAM: Bram, tegen wie praat je?
BRAM: Ik praat met Rob. Hij zoekt de tentengek ook al.
ROB: Ikke niet hoor. Blanche heeft me naar buiten gestuurd.
BLANCHE: Ik hoor mijn naam. Wie is daar, Rob?
ROB: Blanche, kom maar naar buiten. Ik sta hier gewoon met Bram te kletsen.
WILLEMIJN: Nee hoor, Blanche. Ga maar niet naar buiten. Stel dat die gluurder tevoorschijn komt, dan wil jij toch niet in het strijdgewoel terechtkomen?
BLANCHE: Wie praat daar tegen mij?
BRAM: O.k. genoeg nu! Iedereen komt nu naar buiten. Dan kun je zelf zien dat er niks aan de hand is.
MIRJAM: We zijn toch niet gek? En trouwens, het stikt daarbuiten van de muggen en ik ben mijn citronella vergeten. Als die gek me niet aanvalt, doen die beesten het wel.
BRAM: Jullie zijn gewoon schijtluizen. Kom op. Even bikkelen!
In de tent van Mirjam en Willemijn klinkt gerommel. Dan komen beide meiden naar buiten. Er komt iets meer licht op het toneel. Niet te opvallend doen. De meiden pakken beiden een arm van Bram.
BRAM: Wat zijn jullie ook erg. Nou, ma had wel gelijk. Als jullie hier alleen waren geweest, had de tent nu gestonken naar jullie… jeweetwel.
WILLEMIJN: Gatver.
MIRJAM: Bram joh. Doe niet zo goor!
ROB: Blanche, de hele buurtent staat hier al. Nu jij nog.
BLANCHE: Weet je echt zeker dat het veilig is?
ROB: Er is hier niemand naast ons vieren.
BRAM: Hee, we hebben nog niet in de bosjes gekeken, hoor! (ontvangt een ram van Mirjam) Au.
BLANCHE: Wat was dat? Wie schreeuwde daar? Wie sloeg hem?
BRAM: (speelt of hij gepakt wordt) Help, die gek valt me aan. (krijgt weer een ram van Mirjam, maar nu ook één van Willemijn) AU! AU!
BLANCHE: Rob, help hem! Doe iets.
ROB: Blanche, er is niks aan de hand. Bram doet maar alsof.
BLANCHE: Je wordt nu zeker onder schot gehouden, hè? Je praat met die gek mee.
ROB: Blanche, nu kom je naar buiten!
BLANCHE: O.k. Ik kom al.
Weer wat rommelgeluiden. Dan komt Blanche tevoorschijn. Haar haren zitten vol met krulspelden.
BRAM: (met lach) Wah, daar is het monster. Grijp hem! (wederom stompen van Willemijn en Mirjam) Jemig meiden, wat een agressie. Dat ben ik helemaal niet van jullie gewend. Maar ga alsjeblieft door. Ik word er al een beetje opgewonden van. (nog twee stoten. Bram lacht)
Plots schijnt er vanaf de linkerkant een hele felle zaklamp in de richting van de vijf. Iedereen schrikt. De stemmen worden een stuk zachter.
MIRJAM: Wat is dat?
WILLEMIJN: Nee, wie is dat?
BLANCHE: Het is hem. Ik weet het zeker.
MIRJAM: (met zet) Bram, doe iets!
Bram staat muisstil, ook Rob zegt geen woord.
...
Een beter milieu begint bij… je vader (4 dames/3 heren)
© 2005
1 keer door een vereniging opgevoerd
Het verhaal
Een blijspel over een familie die wat raar is samengesteld. Kirsten heeft een zoon, Dennis en is getrouwd met Rudy, die een dochter Nadine heeft. ‘Broer’ en ‘zus’ hebben de gangbare ruzies, maar Dennis heeft Nadine nodig omdat hij een oogje heeft op een vriendin van haar, Mascha. Hij is er heilig van overtuigd dat hij Mascha kan overhalen om hetero te worden.
Als Nadine kwaad thuiskomt met de mededeling dat ze een doe- en ontdek- natuurcentrum gaan bouwen in een park, terwijl ze er al maanden tegen gedemonstreerd heeft, kan ze van Dennis geen hulp verwachten. Tot Mascha hem het vraagt. Voor haar doet hij alles.
Tante Mathilde komt langs, ze is niet erg geliefd, maar als ze vertelt dat ze gaat emigreren naar Curaçao, doet iedereen opeens poeslief tegen haar. Ze kan het zelfs zo goed vinden met Nadine dat ze mee gaat demonstreren tegen de bouw.
Echter, er is nog een probleem. Rudy en zijn collega/vriend Fons hebben de bouw van het project in handen, waar Nadine natuurlijk niets van mag weten.
Vanzelfsprekend komt de aap uit de mouw, waarna Rudy en Fons een lesje geleerd moet worden.
Korte dialoog
...
Fons op via linkerdeur met een plastic tas in zijn hand. Dennis schrikt er een beetje van.
DENNIS: Man, heb jij tegenwoordig ook al een sleutel? Rudy is gek aan het worden.
FONS: Nee, ik kwam je moeder tegen in de deuropening. (na pauze) Maar Dennis, jongen, fijne kerel dat je d’r bent. Hoe is ’t ie met jou?
DENNIS: Super… superslecht. Ik ben in de rouw. Ik wou dat ik op mezelf woonde en weg was uit dit gesticht.
FONS: Wie houd je tegen? Je kunt toch zo vertrekken? (wacht even) Al zou ik je wel missen hoor.
DENNIS: Heb jij toevallig afwasmiddel in die tas zitten?
FONS: Nee, ik heb wat schetsen voor dat bouwwerk in het Amaliapark. Ik wilde het Rudy even laten zien. Is ‘ie er?
DENNIS: Wil jij nou zeggen dat jij en Rudy de grafische ontwerpers zijn van dat natuurkundige bouwwerk in het Amaliapark?
FONS: Heeft hij je daar nog niks over verteld dan? Man, het is één van de grootste opdrachten die wij in onze geschiedenis als partners hebben gehad. (denkt na) Dat ‘ie dat niet gezegd heeft… Ik snap het niet.
DENNIS: (wat zachter tot Fons) Mag ik je één tip geven? Noem het woord Amaliapark en het woord bouwwerk of gebouw niet als Nadine in de buurt is.
FONS: Dennis en tips? (denkt na) Nee, ik snap hem niet.
DENNIS: Wat snap je niet?
FONS: Je grapje… Ik zie hem even niet in.
DENNIS: Ik ben bloedserieus hoor. Nadine slaat je op je neus als je iets over die plannen zegt.
FONS: (schaapachtig lachje) Ah, dat is het grapje. Ze gaat me op m’n neus slaan. (denkt weer na) Nee, hij wil niet doordringen. (denkt nog even kort na) Laat ook maar. Is je stiefvader er nou?
DENNIS: (hoofdschuddend) Ik zal hem even roepen. Roep jij dan even om afwasmiddel? (gaat al af via linkerdeur)
FONS: Roepen om afwasmiddel? Zullen ze een hond genomen hebben? Wat een rare naam heeft ‘ie dan gekregen. (haalt schouders op, loopt rond en roept zachtjes) Afwasmiddel! Afwasmiddel, waar zit je dan? Kom maar jongen! Dennis zoekt je. (Rudy op vanuit linkerdeur) Afwasmiddel!
RUDY: Wie ben jij aan het roepen dan?
FONS: Jullie hond. Maar hij wil nog niet echt komen.
RUDY: Onze hond? Sinds wanneer hebben wij een hond dan? (schrikt hevig) Oh nee, hè? Nadine zal zo’n ding toch niet vastgebonden aan een boom hebben gevonden, hè en hem hiermee naartoe genomen hebben? (Dennis op vanuit keuken) Ik haat honden.
DENNIS: We weten dat je honden haat. Het staat nog net niet op je voorhoofd geschreven.
RUDY: Dennis, heeft Nadine een hond meegenomen, dat jij weet?
DENNIS: Een hond? Nee, waarom zou ze?
RUDY: Fons hier zoekt naar onze hond.
DENNIS: Hebben we een hond dan? (met scheve lach) Cool.
FONS: Maar is een gangbare naam als Bello of Joris niet beter geschikt dan Afwasmiddel?
DENNIS: Heb je afwasmiddel gevonden? Mooi, waar heb je het?
FONS: Nee, ik kan hem juist niet vinden.
DENNIS: En jij Ruud?
RUDY: Wat moet ik met afwasmiddel?
FONS: Ja, wat moet hij ermee? Hij haat honden. (Dennis schudt zijn hoofd en verdwijnt door de rechterdeur)
RUDY: (kijkt erg vragend, maar schudt ook snel zijn hoofd) Goed Fons, je kwam vast met een reden op mijn vrije middag naar mijn huis toe. Barst maar los.
FONS: (fluisterend) Ik heb de schetsen klaar.
RUDY: Waarom fluister je?
FONS: (nog steeds fluisterend) Omdat Dennis zegt dat ik bouwwerk en Amaliapark niet mag zeggen als Nadine in de buurt is en ik wil het risico niet nemen. Stel dat ze inderdaad ergens in de buurt is…
RUDY: (schrikt een beetje) Daar heeft ‘ie hartstikke gelijk in. Sst!
FONS: (nog steeds fluisterend) Ze gaat me zelfs op mijn neus slaan, zei hij. Nou en dat wil ik niet hoor. Mijn neus is het enige mooie aan me.
RUDY: Fons, je mag met deze plannen nooit en te nimmer hier komen. Je mag er zelfs geen woord over zeggen.
FONS: Dat snap ik, geloof ik. (aait over zijn neus) Arm neusje van me. Ik bescherm je wel.
RUDY: Kom, we gaan naar ‘Het Tappertje’. Daar kunnen we rustig praten.
FONS: Ben je dan niet reuzenbenieuwd? Het ziet er echt helemaal fantastisch uit.
RUDY: Dat zal best, maar Nadine zit boven. Ze kan elk moment binnen komen.
Nadine komt op vanuit linkerdeur en ploft weer op de bank neer.
NADINE: Nou, je vrouw mag me heel hartelijk bedanken. Ik heb Mascha zover om vanavond hier naartoe te komen. (zonder hem aan te kijken) Hoi Fons.
FONS: Nadine, ik moet het toch even aan je vragen. Sinds wanneer ben jij agressief ingesteld geworden?
NADINE: Agressief? Ik? (schiet overeind en staat dichtbij Fons, die onhandig zijn hand voor zijn neus houdt) Wat heeft Tom tegen je gezegd?
FONS: Huh? Wat bedoel je?
RUDY: Nadine, is er iets dat ik niet weet?
NADINE: Nee hoor, helemaal niks.
RUDY: Goed, Fons en ik wilden net gaan. Ga je mee, Fons? We hebben nog veel te bespreken.
FONS: Ik heb heel hard om je hond geroepen, Nadine. Maar hij wilde niet komen. Ik hoop dat jij hem wel kunt vinden.
Nadine kijkt raar, Rudy pakt Fons’ arm en trekt hem mee richting de linkerdeur.
RUDY: Ik ben even in ‘Het Tappertje’. Met het eten ben ik terug. (Nadine antwoordt niet, Rudy en Fons verdwijnen, Dennis op)
DENNIS: Nadine, heb jij toevallig afwasmiddel zien staan? Maakt me niet uit waar.
NADINE: Oh ja, hoor. Flessen vol.
DENNIS: Mooi zo. Waar?
NADINE: Zelfs wel tien soorten en merken. De één goed voor het milieu, een ander wat minder en sommige zo slecht dat een boom door twee druppels al dood kan gaan.
DENNIS: Ik zal de natuurlijke versie pakken. Waar heb je die flessen gezien?
NADINE: In alle supermarkten waar ik kom. Rekken vol. (lacht schamper)
DENNIS: Lekker, aan jou heb ik ook niks. (verdwijnt weer door de rechterdeur)
De bel gaat. Nadine staat in alle rust op en gaat door de linkerdeur. Ze komt terug met tante Mathilde en kijkt erg moeilijk.
MATHILDE: Kind, wat leuk dat jij opendeed. Ik heb je nog zo weinig gezien. Nadine was het, hè?
NADINE: (toonloos) Ik had u nog niet verwacht. Weet u zeker dat u niet eerst nog een andere afspraak had, ergens aan de andere kant van het land?
MATHILDE: (lacht) Je krijgt de humor van je moeder al. Wat heerlijk om dat te zien. Dat betekent vast dat jullie al stukken vaker met elkaar optrekken. (vol zieligheid) Dat doet een zwak mens als ik goed.
NADINE: (a.v.) Willen de botten en de hersens niet meer zo?
MATHILDE: Wat lief dat je ernaar vraagt, lief kind. (korte pauze - aanstellerig) Nee, het is van alles. De dokter weet het ook niet. Hij heeft zelfs gezegd dat ik niet meer bij hem hoef te komen, want hij vindt de oorzaak toch niet. Zo gecompliceerd is het. Het is een schat hoor. (met verliefde blik) En zo charmant…
NADINE: Maar vandaag heeft u wel uw goede benen onder geschroefd?
MATHILDE: Ik ben inderdaad met het goede been uit bed gestapt. Leuk dat je ernaar vraagt. Is Kirsten er niet?
NADINE: Nee, die is even naar de buurvrouw. Dus het duurt nog wel even voor ze terugkomt.
MATHILDE: Kind, zou je me niet wat te drinken aanbieden? De reis was lang hoor.
NADINE: Oh, ik dacht dat u eerste klas had gereisd. Dan komen ze toch altijd langs met zo’n karretje.
MATHILDE: Dat hebben ze ook. Maar ze hadden geen spa rood. Nou, dan hoeft het voor mij niet, hoor. Een beetje service mag je als vaste klant van de NS toch wel verwachten. Ze verdienen een heleboel geld aan mij, hoor.
NADINE: Een spa rood dus?
MATHILDE: Nee, doe me maar een glas water. Van spa rood krijg je zo’n droge mond.
Nadine loopt bijna in elkaar stortend van de irritaties naar de keuken (rechterdeur) Mathilde kijkt een beetje rond en gaat dan zitten op een klein hoekje van de bank. Ze strijkt met uiterste zorg haar rok glad. Nadine komt alweer terug met een glas water en zet deze met haar vingers op het bovenste gedeelte van het glas voor tante neer.
MATHILDE: Ja, neem maar weer mee hoor. Die bacteriën van jouw vingers wil ik niet in mijn schone mond hebben. Geef desnoods zo’n theeglas met een oor. Dan kun je hem aan het oor vasthouden en komen er geen vingerafdrukken op de rand.
Nadine wil het liefste beginnen met schelden, maar ze beheerst zich en neemt het glas weer mee naar de keuken. Mathilde kijkt rond.
MATHILDE: ’t Is toch wat? Mijn zus heeft het zo druk dat ze het huis niet eens aan kant kan maken. Die luie kinderen van d’ ook. Een schop onder de billen moeten ze krijgen.
Nadine komt terug met een theeglas met daarin water.
MATHILDE: Lieverd, er hangen druppels onder het glas. Dat komt op mijn rok en dat is zo’n naar gevoel.
Nadine barst nu helemaal bijna, maar wederom loopt ze naar de keuken. Mathilde is zich van geen kwaad bewust en kijkt nog eens rond.
MATHILDE: Er is hier iets veranderd. Wat mis ik toch? Of is er juist iets bijgekomen?
Er klinkt ver weg wat gekibbel. Dan komt Dennis, die duidelijk van achteren een duw krijgt, via de linkerdeur het podium op. Hij weet zich even geen houding te geven en staat wippend met het glas in zijn hand naar Mathilde te kijken. Zodra zij hem ziet, staat ze snel op, loopt op Dennis af en geeft hem drie dikke (vieze) zoenen. Dennis kijkt vies.
...
Ziek, slap en misselijk (6 dames, 3 heren)
© 2004